LS&R 1613

Geclausuleerde toewijzing van inzage in medisch dossier overleden zoon

Hof Arnhem-Leeuwarden 15 mei 2018, LS&R 1613; ECLI:NL:GHARL:2018:4396 (obductieverslag overleden zoon) Moeder van in het ziekenhuis overleden jongeman vordert op grond van 843a Rv afgifte van het medisch dossier en het obductieverslag betreffende haar zoon van het ziekenhuis en twee betrokken artsen. Het ziekenhuis en de artsen weigeren afgifte. Zij beroepen zich op hun geheimhoudingsplicht. Anders dan de rechtbank, acht het hof de vordering (geclausuleerd) toewijsbaar.

4.19 Hiervoor is overwogen dat de medische gegevens waarover WZA c.s. beschikken cruciaal, of in elk geval uiterst relevant zijn om de oorzaak van het overlijden van [D] en een eventuele beroepsfout van WZA c.s. te kunnen achterhalen. Het hof volgt WZA c.s. dan ook niet in het betoog dat [appellante] de door haar gewenste duidelijkheid ook langs andere weg zou kunnen verkrijgen. WZA c.s. hebben in dat verband gewezen op de mogelijkheid van een voorlopig getuigenverhoor en een gesprek tussen [geïntimeerde1] en/of [geïntimeerde2] en [appellante] . Hoewel zij dat niet hebben toegelicht, gaat het hof ervan uit dat WZA c.s. menen dat in dat geval de behandelend artsen, de parthaloog-anatoom en de betrokken verpleegkundigen als getuige gehoord zouden kunnen worden. Indien deze personen zich niet (met succes) op hun verschoningsrecht zouden beroepen - in welk geval het horen van hen geen redelijk alternatief vormt -, ligt het niet voor de hand dat hun verhoor jaren na het overlijden van [D] dezelfde en even betrouwbare informatie oplevert als de in het medisch dossier en het obductieverslag vastgelegde informatie.
Voor de door WZA c.s. geopperde mogelijkheid van een gesprek met [appellante] geldt mutatis mutandis hetzelfde. Een dergelijk gesprek kan alleen dezelfde informatie opleveren als kennisneming van het medisch dossier en het obductieverslag oplevert indien in een dergelijk gesprek alle informatie uit genoemde stukken wordt doorgenomen. Dat WZA c.s. daartoe bereid zijn is gesteld noch gebleken en is ook niet aannemelijk. In dit verband overweegt het hof dat uit de stellingen van WZA c.s. volgt dat zij zich immers ook bij een dergelijk gesprek gebonden achten aan hun heimhoudingsplicht.

4.20 De slotsom is dat niet redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd (vgl. artikel 843a lid 4 Rv). In dit verband overweegt het hof nog dat het enkele feit dat [appellante] ook een vordering tot schadevergoeding tegen WZA c.s. kan instellen of een verzoek tot het uitbrengen van een voorlopig deskundigenbericht kan indienen om de gewenste informatie te verkrijgen niet in de weg staat aan toewijzing van haar vordering. Van [appellante] kan, alleen al met het oog op het proceskostenrisico, niet gevergd worden dat zij een bodemprocedure tegen WZA c.s. instelt zonder dat zij haar kansen heeft kunnen inschatten vanwege het ontbreken van voor die inschatting cruciale informatie. Ook aan een voorlopig deskundigenbericht kleven bezwaren vanwege de kosten van de te benoemen deskundige, nog daargelaten dat het de vraag is of een dergelijk verzoek niet afgewezen moet worden indien het niet primair bedoeld is om een voorlopig deskundigenbericht te verkrijgen, maar de hand te leggen op de aan de deskundige te verstrekken medische informatie.

4.22 Op grond van artikel 843a lid 2 Rv bepaalt de rechter de wijze waarop inzage of afschrift wordt verstrekt. Het hof ziet in de aard van de informatie waarop de vordering betrekking heeft - medische informatie ten aanzien waarvan zwaarwegende belangen het noodzakelijk maken het beroepsgeheim te doorbreken - en het doel van de vordering - het verkrijgen van helderheid over het overlijden van [D] en het al dan niet begaan zijn van een beroepsfout tijdens diens medische behandeling in het WZA voorafgaande aan zijn overlijden - reden om te bepalen dat de gevraagde informatie - maar dan beperkt tot de gegevens als bedoeld in art. 7:454 lid 1 BW ten aanzien van de behandeling van [D] in het WZA voorafgaande aan zijn overlijden (dus van 12 tot 22 september 2008) en het ten aanzien van [D] opgestelde obductierapport - ter beschikking wordt gesteld aan de medisch adviseur van [appellante] . De medisch adviseur kan de informatie ten behoeve van [appellante] rangschikken, samenvatten en er conclusies aan verbinden en kan zijn bevindingen ook toelichten. Door de gegevens aan (alleen) een andere arts te verstrekken blijft de inbreuk op het beroepsgeheim beperkt - er wordt immers alleen informatie gedeeld met een andere geheimhouder - en wordt voorkomen dat niet-medici conclusies verbinden aan de beschikbaar gestelde medische informatie, hetgeen strookt met het doel waarvoor [appellante] de informatie wenst.
Het hof ziet geen reden om, zoals WZA c.s. wenst, WZA c.s. te laten bepalen aan welke medicus de stukken moeten worden afgegeven. Het is niet aan WZA c.s., maar aan [appellante] om te bepalen welke medische adviseur zij wenst in te schakelen, onder meer met het oog op de beoordeling van het medisch handelen van WZA c.s.

4.23 De slotsom is dat het hof WZA c.s. zal veroordelen tot afgifte van de in r.o. 4.22 bedoelde informatie aan een door [appellante] aan te wijzen medicus. Het hof zal aan deze veroordeling een dwangsom verbinden, als hierna te formuleren.