LS&R 1609

Geen dreigende schade in Nederland op nog niet verleend octrooi, geen locus damni

Vzr. Rechtbank Den Haag 15 mei 2018, IEF 17700; LS&R 1609; ECLI:NL:RBDHA:2018:5809 (Boston Scientific Scimed tegen Edwards Lifesciences Corporation) Octrooirecht. Vordering: gedaagde dient brief aan EOB te sturen met verzoek tot opheffing van de schorsing van de verleningsprocedure in een aangevraagde divisional EP 006 A. Artikel 6 aanhef en onder e Rv (jo artikel 13 Rv). Voorzieningenrechter is niet bevoegd van de vordering kennis te nemen. Geen (dreigende) schade in Nederland. Overigens ontbreekt de vereiste nauwe band tussen de vordering van eiseres en Nederlands grondgebied en is de vordering van eiseres grensoverschrijdend van aard, terwijl de voorzieningenrechter o.b.v. artikel 6 aanhef en onder e Rv niet grensoverschrijdend bevoegd is.

 

4.7. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter ten aanzien van de ingestelde vordering (onder A) evenmin rechtsmacht zou toekomen indien veronderstellenderwijs zou worden aangenomen dat Boston in Nederland wel (dreigende) schade zou lijden, welke stelling van Boston hiervoor dus is verworpen.4.8. Ten eerste omdat volgens vaste jurisprudentie van het HvJ EU de bevoegdheid van de rechterlijke instantie van de plaats van het schadebrengende feit dient te berusten op het bestaan van een bijzonder nauwe band tussen de vorderingen en die rechterlijke instantie op grond waarvan het om redenen verband houdend met een goede rechtsbedeling en nuttige procesinrichting gerechtvaardigd is dat deze rechterlijke instantie bevoegd is.9 Dit omdat het door artikel 6 aanhef en onder e Rv gecreëerde forum (of de fora wanneer de locus actus en locus damni in verschillende landen liggen) een uitzondering op de hoofdregel betreft, te weten het forum van de woonplaats van gedaagde. De uitzondering die een dergelijk alternatief forum creëert dient restrictief te worden uitgelegd, volgens voornoemde door het HvJ EU geformuleerde uitgangspunten.10 De vereiste nauwe band tussen de vordering van Boston en het Nederlands grondgebied acht de voorzieningenrechter niet aanwezig. Met haar vordering beoogt de in Amerika gevestigde Boston te bewerkstelligen dat de schorsing van de in Duitsland bij het EOB lopende verleningsprocedure van EP A 006 (met afgedwongen medewerking van de in Amerika gevestigde Edwards) wordt opgeheven, welke schorsing verband houdt met de door Edwards eveneens in Duitsland ingestelde opeisingsprocedure. Niets in dit feitencomplex impliceert enige, laat staan een nauwe, band met Nederland op basis waarvan de Nederlandse voorzieningenrechter bevoegdheid toe zou moeten komen om een goede rechtsbedeling en nuttige procesinrichting te bewerkstelligen. Dat in Nederland, evenals in andere Europese lidstaten, door Boston mogelijk schade wordt geleden omdat zij EP A 006 niet kan handhaven, levert in het onderhavige feitencomplex geen specifieke (nauwe) band op met Nederland. Een andere uitkomst valt naar voorlopig oordeel niet goed te rijmen met het volgens vaste rechtspraak van het HvJ EU vereiste dat de bevoegdheidsregels in hoge mate voorspelbaar moeten zijn.

4.9. Ten tweede past de vordering van Boston niet binnen de eventueel geldende bevoegdheid van de voorzieningenrechter, nu de bevoegdheid op grond van artikel 6 aanhef en onder e Rv voor wat betreft de (ingetreden of dreigende) schade volgens vaste rechtspraak niet grensoverschrijdend van aard is. De vordering (onder A) is dat wel. Immers, het verzochte bevel aan Edwards om het EOB te schrijven dat de schorsing van de verleningsprocedure dient te worden opgeheven, dient niet in Nederland maar in het buitenland te worden uitgevoerd en ziet niet op (voorkoming van) enkel Nederlandse schade. Het bevel kan ook niet worden gesplitst in een op Nederland gericht deel en een deel gericht op de overige Europese lidstaten. Met dat bevel wordt immers bewerkstelligd dat de schorsing wordt opgeheven voor alle door het te verlenen octrooi gedesigneerde Europese lidstaten en dat grijpt derhalve op het gebied van (dreigende) schade grensoverschrijdend in. Kennisname van de vordering ligt op de weg van de rechter in Duitsland, zijnde de rechter van de locus actus en bovendien de in casu op grond van artikel 6 van het Protocol on Jurisdiction and the Recognition of Decisions in respect of the Right to the Grant of a European Patent (Protocol on Recognition) exclusief bevoegde rechter om van de opeisingsactie van Edwards ten aanzien van de mede-eigendom van de aanvrage kennis te nemen, of van de rechter in Amerika als de rechter van de woonplaats van gedaagde, nu die fora wél relevante aanknopingspunten voor bevoegdheid lijken te bieden.11 Het feit dat partijen en hun deskundigen het er over eens zijn dat een actie voor die fora wat de materiële zaak betreft zeer waarschijnlijk niet succesvol zal zijn, maakt niet dat om die reden de Nederlandse rechter alsnog bevoegdheid zou toekomen.