LS&R 1499

Geen inbreuk op tweede hulpverzoek 'Gebruiksklaar urinekathetersamenstel'

Rechtbank Den Haag 6 september 2017, IEF 17085; LS&R 1499; ECLI:NL:RBDHA:2017:10120 (Coloplast tegen Hollister) Octrooirecht. Tweede hulpverzoek. Coloplast is houdster van EP 1 145 729 'Gebruiksklaar urinekathetersamenstel'. Eerder heeft deze rechtbank het octrooi vernietigd op basis van het hoofdverzoek en eerste hulpverzoek, daartegen is hoger beroep ingesteld. Coloplast vordert nu inbreuk op basis van het tweede hulpverzoek EP 729 B2. Coloplast heeft nog aangevoerd dat de VaPro reeds inbreuk maakt op deelkenmerk 2.1 omdat het water in de hydrofiele oppervlaktelaag moet worden aangemerkt als vloeibaar. Deze stelling, wat daar ook van zij, kan haar niet baten omdat dit ziet op de toestand van het water na activatie en niet op de (fysische) toestand van de activatiestof tijdens de activatie. Hollister maakt geen inbreuk. De vorderingen worden afgewezen.

4.10. In de onderhavige zaak zal de gemiddelde vakman deelkenmerk 2.1 zo opvatten dat het zwelmedium op het moment van activatie vloeibaar dient te zijn. In de eerste plaats duidt de letterlijke tekst van het deelkenmerk daar op: door behandeling met een vloeibaar zwelmedium. Ervan uitgaande dat de vakman op de prioriteitsdatum op grond van zijn algemene vakkennis begreep dat activatie met water in gasvorm ook mogelijk was, zal hij de conclusie in het licht van de beschrijving toch niet zo ruim uitleggen, dat daaronder mede activatie door een gasvormig zwelmedium valt.

4.16. Dat de vakman op basis van zijn algemene vakkennis op de prioriteitsdatum wist dat er een dynamisch evenwicht is tussen de gas- en de vloeibare fase van een stof, en derhalve, naar Coloplast aanvoert, de vakman impliciet uit het octrooi zal afleiden dat activatie mede door middel van waterdamp plaatsvindt, maakt dit niet anders. Het octrooi leert immers dat activatie plaatsvindt door een vloeistof, zodat de gemiddelde vakman de geclaimde uitvinding niet zo zal begrijpen dat deze mede ziet op een samenstel waarbij activatie plaatsvindt door een zwelmedium dat zich in de gasvormige fase bevindt.

4.17. Vervolgens moet worden beoordeeld of de in de VaPro toegepaste wijze van activatie inbreuk maakt op deelkenmerk 2.1 en of, zoals Coloplast onder verwijzing naar door haar gedane proeven stelt, activatie bij de VaPro in ieder geval gedeeltelijk plaatsvindt door een vloeibaar zwelmedium.

4.20. Coloplast heeft nog aangevoerd dat de VaPro reeds inbreuk maakt op deelkenmerk 2.1 omdat het water in de hydrofiele oppervlaktelaag moet worden aangemerkt als vloeibaar. Deze stelling, wat daar ook van zij, kan haar niet baten omdat dit ziet op de toestand van het water na activatie en niet op de (fysische) toestand van de activatiestof tijdens de activatie.

4.21. Zij stelt, naar de rechtbank begrijpt, ook nog dat bij de VaPro onvermijdelijk een dynamische evenwicht zal ontstaan wanneer 100% luchtvochtigheid is bereikt. Daarbij zal condens ontstaan dat vervolgens de oppervlaktelaag activeert. Voor zover deze stelling ziet op de situatie vóór volledige activatie, heeft zij niet onderbouwd dat een dynamisch evenwicht ontstaat reeds vóórdat de coating volledig is geactiveerd. Dit verklaart haar deskundige Almdal niet en dit wordt, zoals gezegd, door Hollister c.s. betwist. Dit valt ook moeilijk te rijmen met haar eigen stelling dat condensatie pas optreedt wanneer 100% luchtvochtigheid is bereikt. Voor zover haar stelling ziet op een dynamisch evenwicht nadat de coating is verzadigd door waterdamp, geldt dat dit ziet op de situatie na complete activatie. Naar het oordeel van de rechtbank laat deelkenmerk 2.1 geen ruimte voor een uitleg waarbij sprake is van voortdurende activatie gedurende de volledige shelflife van de katheter. Verwezen wordt naar hetgeen is overwogen in 4.10 tot en met 4.13.