LS&R 1427

Octrooien en aanvragen vallen onder Research Agreement

Rechtbank Den Haag 8 februari 2017, IEF 16585; LS&R 1427; ECLI:NL:RBDHA:2017:1107 (AIMM tegen Crucell) Opeising octrooirecht en vordering naamsvermelding uitvinders. AIMM is een biotechnologisch onderzoeksbedrijf. 843a Rv exhibitie incident. Crucell is een biofarmaceutisch bedrijf dat zich richt op de productie en marketing van antilichamen en vaccins tegen besmettelijke ziekten. Partijen hebben een Research Agreement gesloten, waarin zij zijn overeengekomen dat aanspraken op Octrooien en Aanvragen aan Crucell toekomen. Er zijn B-cellen opgekweekt en daaruit zijn 16 antilichamen geïsoleerd en geïdentificeerd. De reikwijdte van de ‘Research’ was niet beperkt tot de 10 Immunoglobuline M(IgM)’s , de 6 Immunoglobuline G (IgG)'s vielen daar ook onder. Crucell kan aanspraak maken op de Octrooien voor die uitvinding, ook als AIMM zou slagen in het bewijs dat de AIMM Medewerkers de uitvinding hebben gedaan. Dat betekent dat er geen recht tot opeising, onrechtmatig handelen en/of een toerekenbare tekortkoming is. Het door AIMM gelegde bewijsbeslag wordt opgeheven.

Aanspraak AIMM op de Octrooien en Aanvragen
6.3. De rechtbank is voorshands van oordeel dat AIMM geen aanspraak kan maken op de Octrooien en Aanvragen, omdat het in 3.3.5 beschreven subsidiaire verweer van Crucell doel treft. Naar voorlopig oordeel dient de Research Agreement zo gelezen te worden, dat de uitvinding waarvan AIMM stelt dat haar medewerkers die hebben gedaan, onder het bereik van de Research Agreement valt, zodat het recht om daarvoor octrooi te verkrijgen bij Crucell is komen te rusten. Daarvoor is het volgende redengevend.

6.6. Alle in 6.5.1 tot en met 6.5.12 beschreven omstandigheden wegend, kan AIMM naar voorlopig oordeel niet worden gevolgd in haar lezing van de Research Agreement, inhoudende dat de reikwijdte van de ‘Research’ was beperkt tot IgM’s en dat IgG’s daar niet onder vielen. Voor dit voorlopig oordeel is met name doorslaggevend dat nergens uit blijkt dat de IgG’s bij de uitvoering van het project een aparte status hadden: ze zijn samen met de IgM’s aan Crucell geleverd, zonder duidelijk te maken dat dat onverplicht was, dat er sprake was van een afzonderlijk onderzoeksresultaat en (met name) dat Crucell de IgG’s niet mocht gaan gebruiken zonder nadere toestemming van AIMM. Voorts kent de rechtbank bij dit voorlopig oordeel veel gewicht toe aan het feit dat AIMM aanvankelijk nakoming van de overeenkomst vroeg op basis van een ruime uitleg van de reikwijdte van de overeenkomst. De Research Agreement dient derhalve voorshands aldus te worden uitgelegd, dat de overeenkomst tevens betrekking heeft op IgG antilichamen die bij de uitvoering van het onderzoeksproject zijn geïsoleerd en geïdentificeerd.

6.7. Het gevolg van het voorgaande is dat, als de AIMM Medewerkers de uitvinding hebben gedaan die onderwerp is van de Octrooien en Aanvragen, het recht om daarvoor een octrooi aan te vragen naar voorlopig oordeel op grond van artikel 3.2 van de Research Agreement aan Crucell toekomt. Met andere woorden: Crucell kan aanspraak maken op de Octrooien voor die uitvinding, ook als AIMM zou slagen in het bewijs dat de AIMM Medewerkers de uitvinding hebben gedaan. Dat betekent dat er voorshands geen sprake is van een recht tot opeising, onrechtmatig handelen en/of een toerekenbare tekortkoming van Crucell jegens AIMM. Deze, aan de gestelde aanspraak van AIMM ontleende, rechtsbetrekkingen waarop AIMM zich beroept, zijn voorshands derhalve onvoldoende aannemelijk geworden.

6.15. Ter zitting heeft AIMM nog aangevoerd dat zij een eigen belang heeft bij (in ieder geval) de verklaring voor recht dat de huidige op de Octrooien en Aanvragen genoemde uitvinders niet de uitvinders zijn. De rechtbank vat deze stelling van AIMM op als een beroep van AIMM dat Crucell met die onjuiste naamsvermelding onrechtmatig jegens haar zou handelen. De rechtbank overweegt daarover als volgt. Zonder (eigen) aanspraak op de Octrooien en Aanvragen, valt niet in te zien dat AIMM een (eigen) belang heeft bij de in de hoofdzaak verzochte verklaring(en) voor recht over de naamsvermelding op die Octrooien en Aanvragen. Evenmin valt in te zien dat Crucell, bij gebreke van die aanspraak, onrechtmatig jegens AIMM zou handelen. Het betoog van AIMM stuit daarom reeds af op wat onder 6.7 is overwogen.