LS&R 1581

Octrooirechtvorderingen Ono zien enkel op acties die in het buitenland moeten worden ondernomen

Vzr. Rechtbank Den Haag 27 februari 2018, IEF 17530; LS&R 1581; ECLI:NL:RBDHA:2018:2284 (Ono Pharmaceutical tegen Pfizer) Octrooirecht. Geneesmiddel. Procesrecht. Ono heeft een Europese octrooiaanvrage gedaan bij het EOB voor EP 517 met als titel 'Immunopotentiating compositions comprising anti-PD-L1 antibodies’. Pfizer heeft bij het Verwaltungsgericht München met betrekking tot EP 517 een opeisingsprocedure aanhangig gemaakt strekkende tot het verkrijgen van mede-eigendom en wordt de verleningsprocedure van EP 517 door het EOB geschorst. Ono vordert de rechtbank Pfizer te bevelen aan het EOB mee te delen dat de verleningsprocedure dient te worden hervat en de opeisingsprocedure in München in te trekken. De rechtbank verklaart zich onbevoegd tot kennisname van de vorderingen van Ono, omdat de vorderingen enkel zien op acties die in het buitenland moeten worden ondernomen.

4.7. De schade die Ono c.s. in Nederland stelt te lijden door het niet kunnen handhaven van EP 517, en ten aanzien van welke schade de Nederlandse rechter mogelijk wel bevoegd is, staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter in een te verwijderd verband van de specifieke vorderingen van Ono c.s. Die vorderingen houden zoals hiervoor overwogen in hoofdzaak verband met de hervatting van de verleningsprocedure en zien enkel op acties die in het buitenland moeten worden ondernomen. De kennelijke wens van Ono c.s. om EP 517 na verlening vervolgens in Nederland zo nodig te kunnen handhaven (zij heeft niet gesteld dat er na verlening sprake zou zijn van concrete inbreuk door een derde), schept geen bijzonder nauwe band die bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van de ingestelde vorderingen rechtvaardigt. Daarbij geldt dat een op artikel 6 aanhef en onder e Rv gebaseerde bevoegdheid volgens vaste rechtspraak niet grensoverschrijdend van aard is, terwijl de preventieve vorderingen nu juist zien op bevelen die niet in Nederland maar in het buitenland dienen te worden uitgevoerd. Bovendien valt niet in te zien hoe die bevelen zouden kunnen worden gesplitst (zoals dat bij eventuele schade wel kan8) in een op Nederland gericht deel en daarbuiten. De gevraagde bevelen hebben immers tot beoogd effect dat de verleningsprocedure voor alle gedesigneerde landen, en niet slechts Nederland, voort zou gaan. Het ligt op de weg van de Duitse rechter als de rechter van de locus actus om desverzocht van die vorderingen kennis te nemen of eventueel de Amerikaanse rechter nu die landen bepaald meer relevante aanknopingspunten voor bevoegdheid lijken te bieden. De mededeling van Ono c.s. dat zij voornemens is eventuele dwangsommen in Nederland te executeren, maakt dit niet anders. De keuze voor de plaats van tenuitvoerlegging van een dwangsom is gebaseerd op de lokalisatie van vermogensbestanddelen van de geëxecuteerde, maar dit schept voor de vordering waaraan dit indirecte executiemiddel verbonden moet worden geen aanknopingspunt. Het vonnis in de zaak Brein/Google maakt het vorenstaande niet anders omdat het feitencomplex in die zaak nogal verschilt van de onderhavige zaak.