LS&R 1501

Verpleegkundige geschorst na aangaan seksuele relatie patiënt

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam 5 september 2017, LS&R 1501 (Klacht tegen verpleegkundige) De Inspectie verwijt verweerster, verpleegkundige bij een instelling, dat zij zich gedurende drie jaren (seksueel) grensoverschrijdend heeft gedragen jegens een aan haar zorg toevertrouwde patiënt. Verpleegkundige heeft ter zitting erkend dat sprake is geweest van een persoonlijke en seksuele relatie met de patiënt. Het college is van oordeel dat verpleegkundige hiermee de professionele grenzen die zij als verpleegkundige in acht behoorde te nemen, heeft overschreden. Verpleegkundige werkt met (kwetsbare) psychiatrische patiënten. Haar handelswijze is tuchtrechtelijk dan ook zeer verwijtbaar. De klacht wordt gegrond verklaard. De verpleegkundige wordt geschorst voor de duur van een jaar.

5.1.Het college overweegt het volgende. Desgevraagd heeft verpleegkundige ter zitting verklaard het niet alleen eens te zijn, maar ook niets toe te willen voegen aan de feiten en omstandigheden vermeld in het door IGZ overgelegde verslag van het gesprek met haar op 3 maart 2016 en in het definitieve rapport van IGZ van oktober 2016.

5.2.Vast staat dat verpleegkundige (eind) 2012 een seksuele relatie is aangegaan met de patiënt in de periode dat verpleegkundige al enige maanden (sinds de zomer van 2012) de persoonlijke begeleider van de patiënt was. Verder staat vast dat verpleegkundige pas aan haar teamleider verzocht om te stoppen met de begeleiding van de patiënt toen de seksuele relatie al ongeveer zes weken duurde, maar toen de aard en inhoud van de relatie met patiënt niet aan haar teamleider heeft gemeld. Nadat verpleegkundige is gestopt als ambulant begeleider van de patiënt, heeft de relatie tussen hen beiden nog geruime tijd geduurd. Uiteindelijk is het de patiënt geweest die in het voorjaar van 2015 de relatie tussen hem en verpleegkundige heeft gemeld.

5.3. Het college is van oordeel dat verpleegkundige hiermee de professionele grenzen die zij als verpleegkundige in acht behoorde te nemen, heeft overschreden. Deze grenzen vloeien voort uit artikel 2.12 van de Nationale Beroepscode van Verpleegkundigen en Verzorgenden van 2007 en uit artikel 2.4 van Nationale Beroepscode van Verpleegkundige en Verzorgenden uit 2015 (‘dat ik geen intieme of seksuele relatie aanga met de zorgvrager’, ‘dat ik hulp vraag bij collega’s of leidinggevende indien de professionele grenzen dreigen te vervagen’) alsmede, meer in het algemeen, uit artikel 7:453 van het Burgerlijk Wetboek (‘de hulpverlener moet bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en handelt daarbij in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard’). Verpleegkundige heeft voorts de gedragscode van de instelling overtreden, meer in het bijzonder de hierboven onder 2.5. geciteerde bepaling, waarin deze professionele grenzen voor de medewerkers van de instelling nader zijn uitgewerkt. Verpleegkundige werkt met (kwetsbare) psychiatrische patiënten. Haar handelswijze is tuchtrechtelijk dan ook zeer verwijtbaar.

5.4. De conclusie van het voorgaande is dat verpleegkundige in strijd heeft gehandeld met de zorg die zij ten opzichte van de patiënt behoorde te betrachten zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. De klacht is dan ook gegrond.