LS&R 1506

Huisarts schiet tekort in nazorgtaak

Regionaal Tuchtcollege voor de gezondheidszorg Eindhoven 27 september 2017, LS&R 1506; ECLI:NL:TGZREIN:2017:97 (Klacht tegen huisarts) Huisarts wordt onder meer verweten dat hij de huidinfectie erysipelas niet volgens de richtlijnen heeft behandeld en dat hij bij aanhoudende klachten geen rationele behandeling heeft uitgevoerd, onzorgvuldig heeft gehandeld ten aanzien van het tijdig stellen van de diagnose endocarditis en tekortgeschoten is in zijn nazorgtaak. Klacht mist deels feitelijke grondslag. Gelet op de geleidelijke toename van de gezondheidsklachten, de weinig specifieke symptomen, de afwezigheid van aanwijzingen voor cardiale problematiek, is het missen van de diagnose endocarditis niet verwijtbaar. Er is wel tekortgeschoten in nazorgtaak: de huisarts heeft onvoldoende danwel inadequate stappen gezet om in contact te treden met klager. De klacht wordt deels gegrond verklaard, de huisarts krijgt een waarschuwing. 

Klachtonderdeel e ziet op het tekortschieten van verweerder in zijn (na)zorgtaak. Het college stelt vast dat verweerder na 19 oktober 2015 geen rechtstreeks contact meer heeft gehad met klager anders dan dat klager met en voor zijn dochtertje nog een keer op zijn spreekuur is geweest. Verweerder stelt diverse keren onaangekondigd te hebben geprobeerd contact met klager te zoeken maar heeft geen bericht achtergelaten met het verzoek om contact met hem op te nemen. Verweerder stelt verder dat hij dit verzoek via zijn college aan de ouders van klager heeft gedaan maar hij heeft niet nader onderzocht of en op welke wijze dit verzoek klager heeft bereikt. Verweerder heeft evenmin telefonisch contact met klager opgenomen. Ter zitting heeft verweerder hierover verklaard dat hij dit lastig vindt en de voorkeur geeft aan een gesprek onder vier ogen. Als dat zo is, dan had het op de weg van verweerder gelegen te proberen een afspraak met klager te maken, wat hij heeft nagelaten. Ter zitting heeft verweerder verder verklaard dat het best kan zijn dat klager boos op hem was en dat daarom binnen de huisartsenpraktijk is besloten dat een andere collega op huisbezoek zou gaan. Kennelijk heeft klager aan die collega verteld ontevreden te zijn over de gang van zaken. Klager leefde in de veronderstelling dat deze collega deze ontevredenheid aan verweerder zou overbrengen. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat dit visitebezoek van zijn collega niet met hem apart is besproken.
Het college is van oordeel dat verweerder had moeten begrijpen dat de toename van de gezondheidsklachten, het verloop van de behandeling uitmondend in een operatieve ingreep bij klager de nodige vragen opriep die hij graag door zijn huisarts beantwoord wilde zien. Verweerder heeft onvoldoende althans inadequate stappen gezet om in contact te treden met klager en is daarmee tekortgeschoten in zijn (na)zorgtaak.
 
De slotsom is dat de klachtonderdelen a tot en met d ongegrond zijn en klachtonderdeel e gegrond is.

De maatregel
Nu het vijfde klachtonderdeel gegrond is, zal het college verweerder een maatregel opleggen. Het college acht, rekening houdende met de opstelling van verweerder ter zitting, het ontbreken van een tuchtrechtelijk verleden en de overige omstandigheden in dit geval het opleggen van een waarschuwing passend en geboden.