LS&R 1608

HvJ EU: Het aanbrengen van een klein etiket bij parallelimport is geen ompakking

HvJ EU 17 mei 2018, IEF 17697; LS&R 1608; ECLI:EU:C:2018:322, (Junek Europ-Vertrieb tegen Lohmann & Rauscher International) Merkenrecht. Uitputting. Lohmann & Rauscher International is houder van het Uniemerk “Debrisoft” (nr. 8852279). Junek Europ-Vertrieb is gevestigd in Oostenrijk en verhandelt in Duitsland via parallelimport medische hulpmiddelen van Lohmann & Rauscher International. Junek Europ-Vertieb heeft op de doos een klein etiket aangebracht met hun contactgegevens, een streepjescode en een centraal farmaceutisch nummer. Het etiket maakte het merk van Lohmann & Rauscher International niet onzichtbaar. Er is geen sprake van ompakking, omdat de oorspronkelijke verpakking van het betrokken medisch hulpmiddel verder niet is geopend. De houder van een merk kan zich niet ertegen verzetten dat een medisch hulpmiddel in zijn oorspronkelijke binnen‑ en buitenverpakking verder wordt verhandeld door een parallelimporteur, wanneer deze een klein etiket heeft aangebracht. De aan het merk verbonden rechten zijn uitgeput.

Artikel 13, lid 2, van [UniemerkVo] moet aldus worden uitgelegd dat de houder van een merk zich niet ertegen kan verzetten dat een medisch hulpmiddel in zijn oorspronkelijke binnen‑ en buitenverpakking verder wordt verhandeld door een parallelimporteur, wanneer deze een extra etiket zoals het etiket dat in het hoofdgeding aan de orde is, heeft aangebracht dat gezien zijn inhoud, functie, formaat, presentatie en plaatsing geen risico vormt voor de garantie van de herkomst van het medische hulpmiddel dat van dat merk is voorzien.

21. Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 13, lid 2, van verordening nr. 207/2009 aldus moet worden uitgelegd dat de houder van een merk zich ertegen kan verzetten dat een medisch hulpmiddel in zijn oorspronkelijke binnen‑ en buitenverpakking verder wordt verhandeld door een parallelimporteur, wanneer deze een extra etiket zoals het etiket dat in het hoofdgeding aan de orde is, heeft aangebracht. Meer bepaald wenst hij te vernemen of de beginselen die het Hof heeft ontwikkeld in zijn arresten van 11 juli 1996, Bristol-Myers Squibb e.a. (C‑427/93, C‑429/93 en C‑436/93, EU:C:1996:282), en 26 april 2007, Boehringer Ingelheim e.a. (C‑348/04, EU:C:2007:249), onbeperkt van toepassing zijn op de parallelimport van medische hulpmiddelen.

34. Wat het hoofdgeding betreft, dient evenwel te worden vastgesteld dat de parallelimporteur enkel een extra etiket heeft aangebracht op een onbedrukt deel van de oorspronkelijke verpakking van het betrokken medische hulpmiddel, terwijl die verpakking voor het overige niet is geopend. Dit etiket is bovendien klein van formaat en bevat als enige informatie de naam van de parallelimporteur, zijn adres en zijn telefoonnummer, een streepjescode en een centraal farmaceutisch nummer dat ertoe dient het goederenverkeer met de apotheken te organiseren.

35. Aangezien de verpakking van het medische hulpmiddel in kwestie niet is gewijzigd en de oorspronkelijke presentatie van de verpakking enkel is aangetast doordat er een etiket van klein formaat op is aangebracht dat het merk niet onzichtbaar maakt en dat de parallelimporteur – door vermelding van diens contactgegevens, een streepjescode en een centraal farmaceutisch nummer – aanwijst als degene die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van het product, kan niet worden geoordeeld dat het aanbrengen van dat etiket een ompakking in de zin van de arresten van 23 april 2002, Boehringer Ingelheim e.a. (C‑143/00, EU:C:2002:246), en 26 april 2007, Boehringer Ingelheim e.a. (C‑348/04, EU:C:2007:249) vormt.

36. Derhalve kan hoe dan ook niet worden vastgesteld dat het specifieke doel van het merk, te weten de herkomst van de gemerkte waar garanderen tegenover de consument of eindgebruiker, wordt aangetast doordat een dergelijk etiket wordt aangebracht.

37. Dat de parallelimporteur, namelijk Junek Europ-Vertrieb, op de niet geopende oorspronkelijke verpakking van het medische hulpmiddel een extra etiket heeft aangebracht zoals het etiket dat in het hoofdgeding aan de orde is, vormt voor de merkhouder, in casu Lohmann & Rauscher International, dan ook geen geldige reden om zich te verzetten tegen de verdere verhandeling van het medische hulpmiddel in kwestie.

38. Bijgevolg is de situatie die ten grondslag ligt aan het hoofdgeding, een geval van uitputting van het aan het merk verbonden recht in de zin van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 207/2009.

39. Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 13, lid 2, van verordening nr. 207/2009 aldus moet worden uitgelegd dat de houder van een merk zich niet ertegen kan verzetten dat een medisch hulpmiddel in zijn oorspronkelijke binnen‑ en buitenverpakking verder wordt verhandeld door een parallelimporteur, wanneer deze een extra etiket zoals het etiket dat in het hoofdgeding aan de orde is, heeft aangebracht dat gezien zijn inhoud, functie, formaat, presentatie en plaatsing geen risico vormt voor de garantie van de herkomst van het medische hulpmiddel dat van dat merk is voorzien.