LS&R 1858

Alsnog uitvoerbaar bij voorraad proceskostenveroordeling

Hof Den Haag 16 juni 2020, IEF 19432, LS&R 1858; ECLI:NL:GHDHA:2020:1626 (Bayer tegen Ceva) Procesrecht. Hoger beroep op [IEF 18693]. Bayer maakt onderdeel uit van het internationale Duitse concern Bayer AG, dat onder meer gericht is op onderzoek naar en ontwikkeling van farmaceutische producten en diergeneesmiddelen. Ceva maakt onderdeel uit van de Ceva groep, een Frans farmaceutisch concern dat is gespecialiseerd in onder meer de ontwikkeling van medicijnen. Volgens Bayer dreigde Ceva inbreuk te maken op haar octrooi EP 496 in Nederland; de vorderingen werden afgewezen. In hoger beroep werd in het incident onder meer de eerdere veroordeling van Bayer tot vergoeding van de proceskosten van Ceva tot een bedrag van € 208.639,- uitvoerbaar bij voorraad verklaard; in de hoofdzaak wordt de zaak naar de rol verwezen.

Bayer stelt dat haar belang bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van Ceva bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de proceskosten. Zij voert daartoe aan dat er een restitutierisico voor Bayer bestaat omdat uit de media is gebleken dat het coronavirus zeer ingrijpende gevolgen heeft voor de economie en dat de financiële situatie van veel bedrijven ernstig verslechtert. Ook bedrijven in de ‘animal health sector’ zullen de gevolgen daarvan ondervinden. Ceva zal daarbij harder worden getroffen dan Bayer, omdat Ceva zich meer op boerderijdieren dan op huisdieren richt, terwijl dat bij Bayer juist andersom is. De markt voor huisdieren wordt een stuk minder hard geraakt door de gevolgen van het coronavirus dan de markt voor boerderijdieren. Verder zal Ceva's financiële toestand verder verslechteren vanwege het feit dat Bayer in veel Europese landen reeds een verbod heeft gevraagd en ook heeft gekregen om Forceris te lanceren.

Naar het oordeel van het hof is hetgeen Bayer heeft aangevoerd onvoldoende om een reëel restitutierisico aan te kunnen nemen. Dat de Covid-19 uitbraak in zijn algemeenheid economische gevolgen heeft, rechtvaardigt niet de conclusie dat Ceva – net als Bayer een grote internationale onderneming – niet in staat zal zijn aan een eventuele verplichting tot terugbetaling van de proceskosten te voldoen, mocht het bestreden vonnis op het punt van de proceskostenveroordeling niet in stand blijven. Ook de (gevolgen van de) procedures waarin partijen in verschillende landen zijn verwikkeld rechtvaardigen een dergelijke conclusie niet.

Het voorgaande betekent dat er geen aanleiding bestaat af te wijken van het hiervoor genoemde uitgangspunt en dat de vordering van Ceva kan worden toegewezen. Voor zekerheidstelling zoals door Bayer gevorderd bestaat om dezelfde redenen geen aanleiding.