GLB-ecoregeling: minister mag teledetectie gebruiken bij controle groene braak, beroep landbouwer ongegrond
CBB 7 oktober 2025, LS&R 2398; ECLI:NL:CBB:2025:543 ([naam] tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft geoordeeld dat de minister bij de controle van percelen in het kader van de eco-regeling van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) gebruik mag maken van verschillende soorten beeldmateriaal, waaronder luchtfoto's, satellietbeelden en teledetectiebeelden. Als een landbouwer van mening is dat dit beeldmateriaal voor meerdere uitleg vatbaar is, ligt het op zijn weg aannemelijk te maken dat zijn interpretatie juist is. In deze zaak slaagde de landbouwer daar niet in, zodat de minister terecht geen punten had toegekend voor de eco-activiteit "groene braak, spontane opkomst" op één van zijn percelen. Met zijn Gecombineerde opgave over 2023 had de landbouwer aanspraak gemaakt op de eco-regeling op het niveau van het goudtarief van € 200 per hectare. De minister kende echter slechts het zilvertarief van € 100 per hectare toe. Aanleiding daarvoor was dat voor perceel 11, met een oppervlakte van 0,7823 hectare, geen punten werden toegekend voor de opgegeven eco-activiteit "groene braak, spontane opkomst" (gewascode 6794). Volgens de minister voldeed het perceel niet aan de voorwaarde dat het in de periode van 31 mei tot en met 31 augustus voor minimaal 80% uit het aangegeven gewas moest bestaan. Deze eis volgt uit de nationale invulling van de eco‑regeling in de Uitvoeringsregeling GLB 2023, waarin voor de eco‑activiteit ‘groene braak’ is voorgeschreven dat in die periode de oppervlakte voor minimaal 80% met het opgegeven gewas bedekt moet zijn. De landbouwer stelde zich op het standpunt dat wel degelijk aan deze voorwaarde was voldaan. Volgens hem was perceel 11 vergelijkbaar met het naastgelegen perceel 160, waarvoor de eco-activiteit wel was goedgekeurd. Dat op satellietbeelden in juli 2023 een bruine verkleuring zichtbaar was, kwam volgens hem doordat het gewas als gevolg van droogte aan de bovenzijde was verdord. Dat betekende niet dat het gewas was verdwenen. Verder voerde hij aan dat de minister pas in bezwaar het gebruikte beeldmateriaal had overgelegd en uitsluitend op teledetectiebeelden was afgegaan. De minister bracht daartegen in dat de regeling vereist dat gedurende de gehele periode van 31 mei tot en met 31 augustus sprake is van minimaal 80% bedekking met een levend gewas. Daarbij maakte de minister gebruik van verschillende soorten beeldmateriaal, waaronder luchtfoto's, satellietbeelden en zogenoemde "near infrared"-beelden voor teledetectie. Op deze laatste beelden wijst een rode kleur op aanwezigheid van bladgroen, terwijl een groene kleur juist duidt op weinig of geen bladgroen.
Rb Gelderland: zorgpremievordering verjaard omdat ontvangst stuitingsbrieven niet vaststaat
Rb. Gelderland 21 januari 2026, LS&R 2397; ECLI:NL:RBGEL:2026:2599 (Menzis tegen [gedaagde]). De kantonrechter van de Rechtbank Gelderland heeft geoordeeld dat de vordering van Menzis tot betaling van achterstallige zorgpremies is verjaard. Hoewel Menzis meerdere schriftelijke aanmaningen en e-mails heeft verstuurd, staat niet vast dat deze [de gedaagde] hebben bereikt. Daardoor is de verjaring niet tijdig gestuit en wordt de vordering afgewezen. Tussen Menzis en [de gedaagde] bestond in de periode van 27 maart 2017 tot en met 23 november 2017 een zorgverzekeringsovereenkomst. De premie bedroeg € 119 per maand. Volgens Menzis heeft [de gedaagde] gedurende zes maanden geen premie betaald, waardoor een achterstand van € 733,83 is ontstaan. Inclusief rente en buitengerechtelijke incassokosten vordert Menzis een bedrag van € 971,18. [de gedaagde] voert aan dat de vordering inmiddels is verjaard en betwist daarnaast dat hij de premie onbetaald heeft gelaten. De kantonrechter stelt voorop dat een rechtsvordering tot nakoming van periodieke betalingen verjaart door verloop van vijf jaar nadat de vordering opeisbaar is geworden. Die termijn kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of een andere schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Vast staat dat [de gedaagde] in ieder geval de brief van 17 september 2018 heeft kunnen ontvangen en dat de brief van 27 mei 2019 de bewindvoerder van [de gedaagde] heeft bereikt. Daarmee is de verjaring op 27 mei 2019 gestuit en is een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar gaan lopen. Centraal staat vervolgens de vraag of Menzis de verjaring tussen 27 mei 2019 en 11 april 2025 opnieuw heeft gestuit. Volgens de kantonrechter rusten de stelplicht en bewijslast daarvan op Menzis. Daarbij geldt dat een verklaring pas werking heeft wanneer deze de geadresseerde heeft bereikt. De kantonrechter verwijst in dit verband naar de maatstaf van de Hoge Raad, inhoudende dat de afzender moet stellen en zo nodig bewijzen dat de verklaring is verzonden, dat deze is verstuurd naar een adres waarvan redelijkerwijs mocht worden aangenomen dat de geadresseerde daar bereikbaar was en dat de verklaring daar is aangekomen.
Rb Rotterdam: afgifte medisch dossier kan in kort geding niet via verzoekschrift worden afgedwongen
Rb. Rotterdam 23 maart 2026, LS&R 2396; ECLI:NL:RBROT:2026:3605 ([verzoeker] tegen Veldhuis Kliniek). In deze zaak tussen [verzoeker] en Velthuis Kliniek staat de vraag centraal of een patiënt in kort geding via een verzoekschrift afgifte van een volledig medisch dossier kan afdwingen. [verzoeker] verzoekt de voorzieningenrechter om Velthuis Kliniek te bevelen haar volledige medisch dossier, waaronder loggegevens, te verstrekken. Zij baseert haar verzoek op het inzagerecht uit artikel 7:456 BW en op artikel 15 AVG. Volgens [verzoeker] is er sprake van een spoedeisend belang, omdat zij het dossier nodig heeft in een tuchtprocedure bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een verzoek tot afgifte van een medisch dossier niet via een verzoekschriftprocedure in kort geding kan worden ingesteld. Een dergelijke vordering moet worden ingediend bij dagvaarding. Dat geldt ook wanneer er sprake is van spoedeisendheid. Voor een kort geding dat bij dagvaarding wordt ingesteld, geldt bovendien verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat. Voor zover [verzoeker] zich beroept op artikel 15 AVG, leidt dat niet tot een ander oordeel. De verzoekschriftprocedure van artikel 35 UAVG staat uitsluitend open in een bodemprocedure en niet in een kort geding. De voorzieningenrechter onderzoekt vervolgens of aanleiding bestaat om gebruik te maken van de zogenoemde spoorwissel, waarbij een onjuist ingeleide procedure wordt omgezet in de juiste procesvorm. Daarvoor ziet de rechtbank alleen geen aanleiding.
Onrechtmatige frauderegistratie door zorgverzekeraar: onvoldoende grond voor opname in IR en EVR
Rb. Den Haag 22 april 2026, LS&R 2395; ECLI:NL:RBDHA:2026:10688 (Novacura c.s. tegen VGZ). De Rechtbank Den Haag oordeelt dat VGZ de persoonsgegevens van zorgaanbieder Novacura en haar bestuurder ten onrechte heeft opgenomen in het Incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister wegens vermeende zorgfraude. VGZ had haar fraudeverwijt gebaseerd op verschillen tussen urenregistraties en dagrapportages, verklaringen van verzekerden en volgens VGZ misleidende uitlatingen van de bestuurder over contacten met onder meer Zilveren Kruis en de IGJ. De rechtbank stelt voorop dat verwerking van persoonsgegevens in deze registers alleen rechtmatig is als wordt voldaan aan de AVG, in het bijzonder artikel 6 lid 1 onder f en artikel 17 lid 1 onder d AVG, en aan het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen. Voor EVR-registratie moet in voldoende mate vaststaan dat de betrokkene betrokken is bij gedragingen die een bedreiging vormen voor de financiële belangen of integriteit van de financiële sector; bij strafrechtelijke persoonsgegevens is méér vereist dan een redelijk vermoeden van schuld. Voor IR-registratie moet sprake zijn van een incident in de zin van het Protocol.
HvJ EU: Griekenland mag online verkoop van niet-receptplichtige geneesmiddelen niet beperken tot beperkte subcategorie
HvJ EU 21 mei 2026, LS&R 2394; ECLI:EU:C:2026:418 (Farmakeio YZ & Sia OE tegen de Griekse ministers van Ontwikkeling en Volksgezondheid). Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld dat Griekse regelgeving die de online verkoop van niet-receptplichtige geneesmiddelen beperkt tot uitsluitend een specifieke subcategorie van die geneesmiddelen, in strijd is met het Unierecht. Volgens het Hof verplicht artikel 85c van Richtlijn 2001/83 de lidstaten om de verkoop op afstand van alle niet-receptplichtige geneesmiddelen toe te staan. Lidstaten mogen wel voorwaarden stellen aan de wijze waarop niet-receptplichtige geneesmiddelen online aan het publiek worden verkocht (retail supply), maar zij mogen die bevoegdheid niet gebruiken om de online verkoop van bepaalde categorieën niet-receptplichtige geneesmiddelen in feite te verbieden. De zaak was aanhangig gemaakt door een Griekse apotheek die naast een fysieke vestiging ook online geneesmiddelen verkoopt. In 2022 voerde Griekenland nieuwe regelgeving in die bepaalde dat gecertificeerde online apotheken uitsluitend nog geneesmiddelen uit de categorie ‘over-the-counter’ (OTC) online mochten aanbieden. Andere niet-receptplichtige geneesmiddelen mochten niet langer via internet aan consumenten worden verkocht. Voorheen konden online apotheken alle niet-receptplichtige geneesmiddelen op afstand aanbieden. De Griekse overheid en de nationale apothekersvereniging verdedigden deze beperking met een beroep op de bescherming van de volksgezondheid, onder meer vanwege risico’s van overmatig geneesmiddelengebruik en de handel in vervalste geneesmiddelen. Het Hof stelt voorop dat artikel 85c lid 1 van Richtlijn 2001/83 bepaalt dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat geneesmiddelen via diensten van de informatiemaatschappij op afstand aan het publiek kunnen worden aangeboden. Uit de bewoordingen van deze bepaling volgt volgens het Hof dat deze verplichting betrekking heeft op alle niet-receptplichtige geneesmiddelen.
Geen wettelijke rente voor zorgverzekeraar wegens ontbreken algemene voorwaarden
Rb. Limburg 20 mei 2026, LS&R 2393; ECLI:NL:RBLIM:2026:3714 (VGZ tegen [gedaagde]). De kantonrechter van de Rechtbank Limburg heeft geoordeeld dat [gedaagde] een openstaande premieachterstand aan zijn zorgverzekeraar moet voldoen. De gevorderde wettelijke rente werd echter afgewezen, omdat de zorgverzekeraar de toepasselijke algemene voorwaarden niet in het geding had gebracht. Daardoor kon de kantonrechter niet beoordelen of de bedingen waarop de rentevordering was gebaseerd verenigbaar zijn met het consumentenrecht. Tussen partijen bestond een zorgverzekeringsovereenkomst. Nadat een betalingsachterstand was ontstaan, hadden partijen een betalingsregeling getroffen. [gedaagde] bleef echter ook tijdens de looptijd van die regeling achter met het voldoen van nieuwe premietermijnen. Volgens de zorgverzekeraar was de betalingsregeling daardoor vervallen en werd het resterende openstaande bedrag direct opeisbaar. De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een consumentenovereenkomst en toetst daarom ambtshalve of de aan de vordering ten grondslag gelegde bedingen voldoen aan het consumentenrecht.
Producent aansprakelijk voor claims van Brand Partner op Instagram
CVB 22 april 2026, RB4013; LS&R 2385; 2025/00594/I (Amare tegen Brand Partner). In deze zaak tussen Amare en een verkoper (Brand Partner) staat de vraag centraal of Amare als producent medeverantwoordelijk is voor een Instagram-uiting waarin voedingssupplementen worden aangeprezen met ontoelaatbare gezondheidsclaims. De zaak draait om een Instagram Story waarin verschillende Amare-producten worden gepromoot met claims over onder meer het verbeteren van het immuunsysteem en het stimuleren van de hersenfunctie. Niet in geschil is dat deze claims in strijd zijn met de Claimsverordening en daarmee met artikel 2 NRC en artikel 5.1 CAG. In beroep ligt uitsluitend de vraag voor of deze overtreding ook aan Amare kan worden toegerekend. Amare betoogt dat de verkoper een zelfstandige wederverkoper is die volledig autonoom haar marketing bepaalt. Volgens Amare ontbreekt een relevante relatie in de zin van de Reclamecode Social Media & Influencer Marketing (RSM), omdat geen sprake is van een opdracht tot het maken van reclame of een vergoeding voor het plaatsen van socialmedia-uitingen.Het College volgt dit betoog niet. Doorslaggevend is dat tussen Amare en de verkoper een doorlopende contractuele relatie bestaat, waarbij de verkoper commissies ontvangt op basis van verkoopprestaties. Deze financiële prikkel stimuleert de verkoop en maakt het inherent aannemelijk dat de verkoper reclame maakt voor de producten van Amare. Het maken van reclame wordt door het College gezien als een direct uitvloeisel van de samenwerking: om meer commissie te verdienen, zal de Brand Partner de producten actief aanprijzen. Daarbij weegt mee dat Amare zelf een eigen commercieel belang heeft bij de door Brand Partners gemaakte reclame-uitingen. Dat de verkoper zelf de inhoud van haar uitingen bepaalt, niet per afzonderlijke uiting wordt betaald en als zelfstandige ondernemer opereert, doet hier volgens het College niet aan af. Er is daarom sprake van een relevante relatie in de zin van de RSM, waardoor Amare als adverteerder wordt aangemerkt.
Nederlands Octrooicongres op dinsdag 9 juni 2026: AI & EPO
Benieuwd hoe het Europees Octrooibureau (EOB) met AI werkt? Op dinsdag 9 juni organiseren we het Nederlands Octrooicongres. Tijdens dit congres praten dagvoorzitters Peter Blok en Gertjan Kuipers u bij over de ontwikkelingen van het octrooirecht. Ook vertelt Sonia Peréz Diaz (EOB) wat de EOB op dit moment met AI doet en welke plannen en ontwikkelingen er zijn.
Het EOB zet steeds vaker AI in binnen het gehele octrooiverleningsproces, om dit proces sneller, beter, transparanter en toegankelijker te maken. Zo krijgen examinatoren ondersteuning bij taken zoals werktoewijzing, classificatie, samenvatting, vergelijking, het opstellen van teksten en de analyse van bestaande technieken. Daarnaast helpen technologieën zoals machinevertaling en OCR om informatie in verschillende talen beter toegankelijk te maken en sneller te verwerken. Ook worden AI-toepassingen gebruikt om juridische informatie en systemen gebruiksvriendelijker te maken, zodat gebruikers makkelijker kunnen werken met wetgeving, procedures en rechtspraak.
Nederlands Octrooicongres op dinsdag 9 juni 2026: UPC jurisprudentie
Op dinsdag 9 juni organiseren we het Nederlands Octrooicongres. Tijdens dit congres praten dagvoorzitters Peter Blok en Gertjan Kuipers u bij over de ontwikkelingen in het octrooirecht.
Willem Hoyng (HOYNG ROKH MONEGIER) zal wederom de UPC-jurisprudentie bespreken. Hoyng is advocaat en één van de oprichters van HOYNG ROKH MONEGIER. Hij is voorzitter van de adviescommissie voor het procesreglement van het UPC en adviseert het ministerie van Economische Zaken over UPC-aangelegenheden. Daarnaast is hij hoogleraar intellectueel eigendomsrecht aan Tilburg University.
Hij bespreekt onder andere de UPC Court of Appeal decisions 2026. Ook gaat hij in op:
Crossborder jurisdiction: Dyson/Dreame (UPC CoA, 6 maart 2026)
In deze zaak staat de vraag centraal hoe ver de bevoegdheid van het UPC buiten het UPC-gebied reikt, en of een EU-vertegenwoordiger die alleen compliance-taken uitvoert kan worden aangesproken als "intermediary" bij octrooi-inbreuk.
Adobe/KEEEX (UPC CoA, 30 april 2026)
Een foutieve verwijzing naar de appelregels door de rechter ontslaat een partij niet van haar eigen verantwoordelijkheid. Adobe's hoger beroep over de proceskostenzekerheid is niet-ontvankelijk verklaard omdat het ontbrekende appelverlof niet tijdig is aangevraagd.
Claim interprétation: NUC/Hurom (UPC CoA, 26 mei 2026)
Het Hof stond de intrekking toe omdat NUC niet binnen de voorgeschreven termijn had gereageerd en de opmerkingen die NUC later in haar alsnog ingediende verweerschrift in hoger beroep had gemaakt, buiten beschouwing liet. Het Hof overwoog dat de uitkomst ook niet anders zou zijn geweest indien die opmerkingen wel waren meegenomen, omdat Hurom was veroordeeld tot betaling van de proceskosten van zowel de eerste aanleg als het hoger beroep.
Ook gaat Hoyng in op de veertig uitspraken on suspensive effect.
Tijdens dit onderdeel zijn UPC-rechters Margot Kokke en András Kupecz aanwezig voor commentaar.
Margot Kokke trad in 2023 in dienst als juridisch gekwalificeerd rechter bij het UPC. Daarvoor was zij rechter bij de rechtbank Den Haag. Ook na haar overstap naar het UPC blijft ze daar actief als plaatsvervangend rechter. Voordat zij rechter werd, werkte ze als advocaat intellectueel eigendomsrecht in Nederland. Ook was ze consultant in internationale omgevingen op drie continenten, zowel in de private sector als bij (supra)nationale organisaties.
András Kupecz werkt bij het UPC sinds 2023, als Presiding Judge van de Central Division, section München. Hij behaalde een LL.M. in privaatrecht aan de Universiteit Amsterdam en een MSc in moleculaire biologie aan de Universiteit Utrecht. Voordat hij bij het UPC begon, werkte hij als Europees octrooiprocesadvocaat. Daarnaast is hij zowel advocaat en Europees octrooigemachtigde.
Nederlands Octrooicongres op dinsdag 9 juni 2026: Handhavingsrichtlijn (G1/25) over de aanpassing van de beschrijving
Op dinsdag 9 juni organiseren we het Nederlands Octrooicongres. Tijdens dit congres praten dagvoorzitters Peter Blok en Gertjan Kuipers u bij over de ontwikkelingen van het octrooirecht.
Ook gaan we in op de doorverwijzing naar de Grote Kamer van Beroep van zaak G 1/25 (Hydroponics, Knauf vs Rockwool) inzake de aanpassing van de beschrijving. Hierover geeft Eva van Wanrooij (Johnson & Johnson) een presentatie. De relevant juridische achtergrond, de gerelateerde zaak G1/24 en de verschillende standpunten worden doorgenomen. Er is ruimte om standputen vanuit de zaal naar voren te brengen.














