LS&R 2446
21 augustus 2026
Uitspraak

Rechtbank: niet-transparant prijsbeding bij medische behandeling niet oneerlijk, rentebeding mogelijk wel

 
LS&R 2444
21 augustus 2026
Uitspraak

ILT hoeft vóór marktintroductie geen oordeel te geven over markeringsplicht bekers

 
LS&R 2448
20 augustus 2026
Uitspraak

CBb: afwijzing eco-regeling onjuist, maar geen aanspraak op tarief goud

 
LS&R 2446

Rechtbank: niet-transparant prijsbeding bij medische behandeling niet oneerlijk, rentebeding mogelijk wel

Rechtbank Noord-Holland 27 mei 2026,, LS&R 2446; ECLI:NL:RBNHO:2026:10262 (Anders Medical Factoring B.V. tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rechtbank-niet-transparant-prijsbeding-bij-medische-behandeling-niet-oneerlijk-rentebeding-mogelijk-wel

Rb. Noord-Holland 27 mei 2026, LS&R 2446; ECLI:NL:RBNHO:2026:10262 (Anders Medical Factoring B.V. tegen [gedaagde]). Anders Medical Factoring B.V. vordert van een consument betaling van € 1.291,57 uit hoofde van een geneeskundige behandelingsovereenkomst, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. Omdat sprake is van een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, moet de kantonrechter ook bij verstek ambtshalve toetsen aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht. De informatieplichten van afdeling 6.5.2B BW zijn hier niet van toepassing, omdat geneeskundige behandelingsovereenkomsten op grond van artikel 6:230h lid 2 onder d BW daarvan zijn uitgezonderd. Het prijsbeding wordt wel getoetst aan Richtlijn 93/13/EEG. De kantonrechter oordeelt dat dit beding niet transparant is, omdat geen vindplaats van de toepasselijke NZa-tarievenlijst is opgenomen en bovendien onzeker is of een patiënt aan de hand daarvan zelf de prijs van de behandeling kan vaststellen. Omdat het beding niet transparant is, kan het op oneerlijkheid worden getoetst. De kantonrechter acht het beding echter niet oneerlijk, omdat de behandelingskosten worden berekend aan de hand van door de NZa vastgestelde tarieven. Het prijsbeding blijft daarom in stand.

LS&R 2444

ILT hoeft vóór marktintroductie geen oordeel te geven over markeringsplicht bekers

Rechtbank Den Haag 6 aug 2026,, LS&R 2444; ECLI:NL:RBDHA:2026:22077 (LIMM tegen de Staat), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/ilt-hoeft-voor-marktintroductie-geen-oordeel-te-geven-over-markeringsplicht-bekers

Rb. Den Haag 6 augustus 2026, LS&R 2444; ECLI:NL:RBDHA:2026:22077 (LIMM tegen de Staat). LIMM B.V. wil bekers voor eenmalig gebruik verkopen die volgens haar plasticvrij zijn en daarom niet zijn voorzien van de markering uit artikel 15e Besluit beheer verpakkingen (Bbv). Zij vroeg de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) vooraf duidelijkheid over de vraag of de in de bekers gebruikte lijm en inkt maken dat de bekers toch onder deze markeringsplicht vallen. De ILT liet weten geen rol te hebben bij het vooraf testen van producten op de aanwezigheid van plastic en pas na het daadwerkelijk op de markt brengen te kunnen beoordelen of de bekers terecht zonder markering worden verkocht. LIMM diende daarop een handhavingsverzoek in, maar dat werd afgewezen omdat de bekers nog niet op de markt waren aangeboden. Ook een verzoek om voorlopige voorziening bij de bestuursrechter werd afgewezen. In dit civiele kort geding vordert LIMM vervolgens dat de ILT schriftelijk en gemotiveerd kenbaar maakt of de bekers onder artikel 15e Bbv vallen. De voorzieningenrechter acht LIMM ontvankelijk en neemt spoedeisend belang aan. De civiele procedure betreft namelijk een andere rechtsvraag dan de bestuursrechtelijke procedure: niet of de staatssecretaris moest handhaven, maar of de ILT verplicht is vóór het op de markt brengen van de bekers een inhoudelijk standpunt over de markeringsplicht te geven.

LS&R 2448

CBb: afwijzing eco-regeling onjuist, maar geen aanspraak op tarief goud

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 18 aug 2026,, LS&R 2448; ECLI:NL:CBB:2026:372 (landbouwer tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/cbb-afwijzing-eco-regeling-onjuist-maar-geen-aanspraak-op-tarief-goud

CBb 18 augustus 2026, LS&R 2448; ECLI:NL:CBB:2026:372 (landbouwer tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur). Een landbouwer had voor 2023 betaling aangevraagd voor onder meer de eco-regeling van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. In zijn Gecombineerde opgaven werd aanvankelijk berekend dat hij voor tarief goud in aanmerking kwam. De minister wees de extra betaling echter af, omdat voor de eco-activiteit stikstofbindende gewassen op de percelen 4, 23 en 70 geen waarde was toegekend. Deze percelen waren volgens de minister mede gebruikt om te voldoen aan GLMC 8. Op grond van artikel 31 lid 5 onder a Verordening (EU) 2021/2115 mogen betalingen uit de eco-regeling uitsluitend worden gedaan voor verbintenissen die verder gaan dan de toepasselijke conditionaliteiten. Tijdens de zitting liet de minister zijn standpunt voor de percelen 4 en 70 vallen, omdat deze percelen niet nodig waren om aan de 7%-grens van GLMC 8 te voldoen. Voor die percelen wordt daarom alsnog waarde toegekend, waardoor de landbouwer in aanmerking komt voor tarief zilver. Het geschil beperkte zich daarna tot perceel 23. Niet in geschil was dat dit perceel wel nodig was om de 7%-grens te halen en dat de eco-activiteit stikstofbindende gewassen op dit perceel daarom niet voor waardering in aanmerking kwam.

LS&R 2445

Afwijzing handhavingsverzoek tegen lelieteelt onvoldoende gemotiveerd

Rechtbank Noord-Nederland 4 aug 2026,, LS&R 2445; ECLI:NL:RBNNE:2026:3255 (eisers tegen Gedeputeerde Staten van de Provincie Drenthe), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/afwijzing-handhavingsverzoek-tegen-lelieteelt-onvoldoende-gemotiveerd

Rb. Noord-Nederland 4 augustus 2026, LS&R 2445; ECLI:NL:RBNNE:2026:3255 (eisers tegen Gedeputeerde Staten van de Provincie Drenthe). Twaalf eisers verzochten Gedeputeerde Staten van Drenthe om handhavend op te treden tegen lelieteelt en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op percelen nabij het Natura 2000-gebied Drents-Friese Wold & Leggelderveld. Volgens hen was sprake van een project dat significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied kon hebben en waarvoor op grond van artikel 2.7 lid 2 Wnb een vergunning nodig was. Voor eisers 1 tot en met 11 staat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Awb eraan in de weg dat hun beroepsgronden tot vernietiging van het besluit kunnen leiden. Hun woon-, leef- en bedrijfseconomische belangen zijn volgens de rechtbank onvoldoende verweven met de natuurbelangen die de Wnb beschermt. Voor eiseres 12, een stichting die blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden opkomt voor natuurbelangen, geldt dat niet.

LS&R 2443

Gewasbeschermingsmiddel Pitcher had niet mogen worden toegelaten

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 11 aug 2026,, LS&R 2443; ECLI:NL:CBB:2026:370 (PAN tegen Ctgb en Adama Registrations B.V.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gewasbeschermingsmiddel-pitcher-had-niet-mogen-worden-toegelaten

CBb 11 augustus 2026, LS&R 2443; ECLI:NL:CBB:2026:370 (PAN tegen Ctgb en Adama Registrations B.V.). Pesticide Action Network Europe (PAN) komt op tegen de toelating van het gewasbeschermingsmiddel Pitcher van Adama Registrations B.V., een schimmelbestrijder voor professioneel gebruik met de werkzame stoffen fludioxonil en folpet. Na eerdere procedures en prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie moest het Ctgb opnieuw op het bezwaar van PAN beslissen. Het Ctgb erkende daarbij dat fludioxonil hormoonontregelende eigenschappen voor de mens heeft, maar meende dat Pitcher toch kon worden toegelaten omdat die eigenschappen bij gebruik volgens de voorschriften niet tot schadelijke effecten voor de menselijke gezondheid zouden leiden. Het College volgt dat oordeel niet. Het Ctgb moest zelfstandig toetsen aan punt 3.6.5 van bijlage II bij Verordening (EG) 1107/2009. Nu fludioxonil hormoonontregelende eigenschappen heeft die schadelijk kunnen zijn voor de mens, is toelating alleen mogelijk bij verwaarloosbare blootstelling. Daarvan is bij Pitcher geen sprake, omdat het middel niet wordt gebruikt in gesloten systemen of onder andere omstandigheden die contact met mensen uitsluiten. Pitcher voldoet daarom niet aan de toelatingseis van artikel 4 lid 3 onder b van de gewasbeschermingsverordening.

LS&R 2447

VGZ mag vergoeding voor steunzolen door registerpodologen en podoposturaal therapeuten beëindigen

Hof Amsterdam 23 jun 2026,, LS&R 2447; ECLI:NL:GHAMS:2026:1670 (LOOP e.a. tegen VGZ e.a.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/vgz-mag-vergoeding-voor-steunzolen-door-registerpodologen-en-podoposturaal-therapeuten-beeindigen

Hof Amsterdam 23 juni 2026, LS&R 2447; ECLI:NL:GHAMS:2026:1670 (LOOP e.a. tegen VGZ e.a.). Stichting LOOP en enkele aangesloten zorgaanbieders verzetten zich tegen het besluit van VGZ c.s. om vanuit aanvullende zorgverzekeringen niet langer de kosten te vergoeden van steunzolen die worden afgeleverd door registerpodologen en podoposturaal therapeuten. Steunzolen behoren niet tot de verzekerde prestaties van de basisverzekering; aanvullende verzekeringen van VGZ voorzien in bepaalde gevallen wel in een vergoeding. Het hof stelt voorop dat een aanvullende zorgverzekering een schadeverzekering is en dat zorgverzekeraars bij de vormgeving daarvan in beginsel contractsvrijheid hebben. VGZ mag daarom in de polisvoorwaarden bepalen welke zorgaanbieders steunzolen mogen afleveren die voor vergoeding in aanmerking komen. De schakeljurisprudentie brengt in deze zaak niet mee dat VGZ haar keuzes mede moet laten bepalen door de financiële belangen van LOOP en de aangesloten zorgaanbieders. Daarbij weegt het hof mee dat verzekerden jaarlijks met aangepaste voorwaarden kunnen instemmen of naar een andere verzekeraar kunnen overstappen, dat niet is gebleken dat zij feitelijk worden belemmerd om steunzolen te verkrijgen en dat de door VGZ gemaakte afwegingen, waaronder kosten, kwalificaties van zorgverleners en het stepped-carebeginsel, niet kennelijk onredelijk zijn. Dat de aangesloten zorgaanbieders hierdoor mogelijk cliënten of omzet verliezen, maakt het handelen van VGZ niet onrechtmatig.

LS&R 2442

Ctgb mocht toelating van gewasbeschermingsmiddel Dagonis handhaven

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 11 aug 2026,, LS&R 2442; ECLI:NL:CBB:2026:367 (PAN tegen Ctgb en BASF Agricultural Solutions Netherlands B.V.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/ctgb-mocht-toelating-van-gewasbeschermingsmiddel-dagonis-handhaven

CBb 11 augustus 2026, LS&R 2442; ECLI:NL:CBB:2026:367 (PAN tegen Ctgb en BASF Agricultural Solutions Netherlands B.V.). Pesticide Action Network Europe (PAN) komt op tegen de toelating van het gewasbeschermingsmiddel Dagonis van BASF, een fungicide dat de werkzame stoffen difenoconazool en fluxapyroxad bevat. Het Ctgb had Dagonis in 2019 toegelaten. Na eerdere procedures stelde het College prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie, waarna het College in januari 2025 de eerdere beslissing op bezwaar vernietigde omdat het Ctgb de door PAN ingebrachte wetenschappelijke studies over mogelijke hormoonontregelende eigenschappen van difenoconazool niet had beoordeeld. Het Ctgb nam vervolgens een nieuwe beslissing op bezwaar en handhaafde de toelating. In de onderhavige procedure oordeelt het College dat het resterende geschil beperkt is tot de vraag of de werkzame stoffen in Dagonis hormoonontregelende eigenschappen hebben die schadelijk kunnen zijn voor de mens. PAN kan de procedure daarom niet alsnog uitbreiden naar andere schadelijke effecten of naar hormoonontregelende effecten voor dieren, omdat die gronden in de eerdere bezwaar- en beroepsprocedure niet waren aangevoerd.

LS&R 2441

Bijzondere zorgplicht bij gebruik gewasbeschermingsmiddelen nabij omwonenden

Rechtbank Oost-Brabant 8 jul 2026,, LS&R 2441; ECLI:NL:RBOBR:2026:5283 ([eisers] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/bijzondere-zorgplicht-bij-gebruik-gewasbeschermingsmiddelen-nabij-omwonenden

Rb. Oost-Brabant 8 juli 2026, LS&R 2441; ECLI:NL:RBOBR:2026:5283 ([eisers] tegen [gedaagde]). Omwonenden van een landbouwperceel waarop in 2024 lelies werden geteeld, verzetten zich tegen het gebruik van verschillende gewasbeschermingsmiddelen. Zij vorderen onder meer een verklaring voor recht dat de eigenaar van het perceel onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld en aansprakelijk is voor hun schade, primair de vestiging van een erfdienstbaarheid waardoor gedurende twintig jaar bepaalde middelen of werkzame stoffen niet mogen worden gebruikt en subsidiair een overeenkomstig verbod. De rechtbank acht zich als burgerlijke restrechter bevoegd, omdat de bestuursrechtelijke route voor deze omwonenden geen rechtsbescherming biedt waarmee zij het gebruik van toegelaten gewasbeschermingsmiddelen in hun nabijheid kunnen laten verbieden. Het voorzorgsbeginsel van artikel 1 lid 4 Verordening (EG) 1107/2009 kan volgens de rechtbank niet als zelfstandige grondslag dienen voor de civielrechtelijke vorderingen tussen particulieren. Het beginsel kan wel als relevante omstandigheid worden betrokken bij de beoordeling of sprake is van strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid van artikel 6:162 BW. De rechtbank beoordeelt de zaak daarom aan de hand van gevaarzetting en de schadevoorkomingsplicht en acht, mede op basis van RIVM-onderzoek, voldoende plausibel dat blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen gezondheidsrisico’s kan meebrengen. Daarbij wijst zij specifiek op onzekerheden en hiaten in de beoordeling van neurodegeneratieve effecten en van blootstelling aan combinaties van verschillende middelen.

LS&R 2337

Volg deLex op LinkedIn

Volg onze LinkedIn-pagina’s om volledig op de hoogte te blijven van alles wat binnen ons vakgebied én bij onze activiteiten speelt.

Via de LinkedIn-pagina Uitgeverij deLex blijft u op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van IE-, IT- en privacyrecht. Via deze pagina ontvangt u vakinhoudelijke updates over onder meer IE-, IT-, privacy- en mediarecht, inclusief nieuws rond publicaties, jurisprudentie en relevante ontwikkelingen voor de praktijk.

Via de LinkedIn-pagina IE-Forum volgt u actuele ontwikkelingen binnen het intellectuele-eigendomsrecht, waaronder rechtspraak, wetgeving, beleidsontwikkelingen en relevante signaleringen uit de IE-praktijk. Daarnaast vindt u hier bijdragen, nieuwsberichten en updates die van direct belang zijn voor professionals die het IE-recht op de voet volgen.

Op de LinkedIn-pagina deLex Media informeren wij u over nieuwe en actuele cursussen en congressen, recente en aankomende publicaties, en overige vakinhoudelijke activiteiten die voor uw praktijk van belang kunnen zijn. Daarnaast bieden wij een professioneel overzicht van onze evenementen en initiatieven, met tijdige aankondigingen zodat u relevante opleidings- en netwerkgelegenheden niet mist.

Bezoek onze pagina’s en kies voor ‘Volgen’ om onze berichten rechtstreeks in uw tijdlijn te ontvangen en onderdeel te worden van ons netwerk.

LS&R 2440

Opzettelijke misleiding bij letselschadeclaim rechtvaardigt registratie in waarschuwingsregisters

Rechtbank Den Haag 3 jun 2026,, LS&R 2440; ECLI:NL:RBDHA:2026:15375 ([eiseres] tegen Ohra), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/opzettelijke-misleiding-bij-letselschadeclaim-rechtvaardigt-registratie-in-waarschuwingsregisters

Rb. Den Haag 3 juni 2026, IT 5444; LS&R 2440; ECLI:NL:RBDHA:2026:15375 ([eiseres] tegen Ohra). In deze zaak vordert [eiseres] onder meer aanvullende schadevergoeding naar aanleiding van een verkeersongeval in 2019 en verwijdering van haar persoonsgegevens uit het Incidentenregister, het Extern Verwijzingsregister (EVR), de Gebeurtenissenadministratie en het Intern Verwijzingsregister (IVR). Ohra, onderdeel van Nationale-Nederlanden, had aansprakelijkheid voor het ongeval erkend en € 10.000 aan voorschotten betaald, maar ontdekte later dat [eiseres] een eerder verkeersongeval uit 2016 en de daaruit voortvloeiende, grotendeels vergelijkbare nek-, rug-, hoofd- en concentratieklachten niet had gemeld. Voor dat eerdere ongeval had zij in 2019 met een andere verzekeraar een vaststellingsovereenkomst van € 36.000 gesloten. Ohra kwalificeerde het achterhouden van deze medische voorgeschiedenis als fraude, beëindigde de schadeafwikkeling en registreerde [eiseres] in de genoemde waarschuwingsregisters.