LS&R 2372
8 april 2026
Uitspraak

Handhaving op grond van art. 2.11 Bal bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de sierteelt

 
LS&R 2371
8 april 2026
Uitspraak

Prejudiciële vragen gesteld over de Geneesmiddelenrichtlijn

 
LS&R 2370
7 april 2026
Uitspraak

Prejudiciële vragen gesteld over het aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen

 
LS&R 2372

Handhaving op grond van art. 2.11 Bal bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de sierteelt

Rechtbank Noord-Nederland 2 apr 2026, LS&R 2372; ECLI:NL:RBNNE:2026:1051 (eiseressen tegen het college en derde-partijen), https://www.lsenr.nl/artikelen/handhaving-op-grond-van-art-2-11-bal-bij-gebruik-van-gewasbeschermingsmiddelen-in-de-sierteelt

Rb. Noord-Nederland 30 maart 2026, LS&R 2372; ECLI:NL:RBNNE:2026:1051 (eiseressen tegen het college en derde-partijen). In deze zaak beoordelen de rechtbank Noord-Nederland de afwijzing van verzoeken om handhaving tegen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij sierteelt op diverse percelen in Wapserveen. De rechtbank stelt voorop dat op deze na 1 januari 2024 ingediende verzoeken de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van toepassing zijn. Zij oordeelt verder dat de verzoeken van eiseressen uitsluitend zagen op handhaving op grond van de specifieke zorgplicht van art. 2.11 Bal en niet mede op het stellen van maatwerkvoorschriften; in zoverre was dus geen sprake van een onvolledig besluit. Ook staat volgens de rechtbank vast dat het telen van gewassen in de openlucht met gebruikmaking van gewasbeschermingsmiddelen een milieubelastende activiteit is als bedoeld in art. 3.208 Bal, dat art. 2.11 Bal daarop van toepassing is naast de overige specifieke regels, en dat het college bevoegd is om daartegen handhavend op te treden. Voor directe handhaving van deze specifieke zorgplicht geldt echter dat alleen kan worden opgetreden in evidente situaties, dus wanneer het handelen of nalaten van de teler onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht. De rechtbank verbindt dat aan het rechtszekerheidsbeginsel: handhaving is niet gerechtvaardigd als degene tot wie de norm is gericht redelijkerwijs niet kon weten wat de specifieke zorgplicht in het concrete geval verlangt. Daarom verwerpt de rechtbank het standpunt van eiseressen dat het enkele gebruik van gewasbeschermingsmiddelen al een overtreding oplevert. Ook ziet zij, gelet op de wetsgeschiedenis van de Omgevingswet en het Bal, geen aanknopingspunten om de specifieke zorgplicht in dit kader via het voorzorgsbeginsel in te vullen. Het beroep op art. 191 VWEU faalt eveneens, omdat dat artikel volgens de rechtbank niet door particulieren kan worden ingeroepen.

LS&R 2371

Prejudiciële vragen gesteld over de Geneesmiddelenrichtlijn

30 dec 2025, LS&R 2371; C-877/25 ( College ter beoordeling van geneesmiddelen, Laboratorios Cinfa SA, Laboratorios Normon, SA, Zentiva k.s., Win Medica SA, Refarm SA tegen Organon NV), https://www.lsenr.nl/artikelen/prejudiciele-vragen-gesteld-over-de-geneesmiddelenrichtlijn

Prejudiciële vragen gesteld aan Hof van Justitie EU 30 december 2025; IEF 23447; LS&R 2371; IEFbe 4182; C-877/25 (College ter beoordeling van geneesmiddelen, Laboratorios Cinfa SA, Laboratorios Normon, SA, Zentiva k.s., Win Medica SA, Refarm SA tegen Organon NV) via MinBuza. Verzoeker heeft in Nederland handelsvergunningen aangevraagd voor geneesmiddelen bij het College van beoordeling van geneesmiddelen (CBG), voor de combinatie van twee werkzame stoffen. De aanvraag werd goedgekeurd, maar de rechtbank oordeelde daarna dat dit onterecht was. De twee werkzame stoffen werden al in een ander geneesmiddel samengevoegd, waarvan de beschermingsperiode nog liep. De Afdeling twijfelt over hoe artikel 10ter van de Geneesmiddelenrichtlijn moet worden uitgelegd, in het bijzonder of het mogelijk is dat meerdere vergunningen worden verleend voor dezelfde combinatie van werkzame stoffen op grond van dat artikel.

LS&R 2370

Prejudiciële vragen gesteld over het aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen

5 dec 2025, LS&R 2370; C-794/25 (Stada Arzneimittel AG tegen Takeda Pharmaceuticals USA, Inc., og Takeda Pharmaceutical Company Ltd.), https://www.lsenr.nl/artikelen/prejudiciele-vragen-gesteld-over-het-aanvullende-beschermingscertificaat-voor-geneesmiddelen

Prejudiciële vragen gesteld aan Hof van Justitie EU 5 december 2025, IEFbe 23446; LS&R 2370; IEFbe 4181;  C-794/25 (Stada Arzneimittel AG tegen Takeda Pharmaceuticals USA, Inc., og Takeda Pharmaceutical Company Ltd.) via MinBuza. Verzoeker is ‘Stada Arzneimittel’, een farmaceutische onderneming in Duitsland. Stada heeft tegen twee Japanse farmaceutische ondernemingen een vordering ingesteld, strekkende tot ongeldigverklaring van het Deense aanvullende beschermingscertificaat voor medicatie. Zij hebben een beschermingscertificaat voor de ADHD-medicatie ‘dexamfetamine’. Ter discussie staat of dat certificaat ook bescherming biedt aan de medicatie ‘lisdexamfetamine’ (wat een derivaat is van de werkzame stof dexamfetamine) of dat deze medicatie een apart (of aanvullend) beschermingscertificaat vereist. Onderliggend is de vraag naar de betekenis van ‘product’ en ‘werkzame stof’ in de zin van artikel 1, onder b), van de verordening.

LS&R 2368

Ontneming wederrechtelijk voordeel bij illegale handel in gewasbeschermingsmiddelen

Rechtbank Gelderland 9 dec 2025, LS&R 2368; ECLI:NL:RBGEL:2025:10878 (de officier van justitie tegen [veroordeelde]), https://www.lsenr.nl/artikelen/ontneming-wederrechtelijk-voordeel-bij-illegale-handel-in-gewasbeschermingsmiddelen

Rb Gelderland 9 december 2026, LS&R 2368; ECLI:NL:RBGEL:2025:10878 (de officier van justitie tegen [veroordeelde]). De rechtbank Gelderland behandelt in deze ontnemingsprocedure de vraag welk wederrechtelijk verkregen voordeel een rechtspersoon heeft behaald met de illegale handel in gewasbeschermingsmiddelen en het gebruik van valse documenten. In de hoofdzaak is al vastgesteld dat de onderneming zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan (mede)pleging van overtreding van artikel 20 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (door zonder vereiste toelating middelen op de markt te brengen) en aan valsheid in geschrift en het gebruik van valse geschriften. Daarvoor is een geldboete opgelegd. Het openbaar ministerie vordert in de ontnemingszaak ruim 2,5 miljoen euro, gebaseerd op een financieel rapport waarin per order over de periode 2009–2014 het behaalde voordeel is berekend. De onderneming importeerde grote partijen middelen (met name uit China), liet die in Nederland inklaren en leverde aan afnemers in diverse EU‑lidstaten. Volgens het OM gaat het niet alleen om de in de hoofdzaak bewezen feiten, maar ook om andere vergelijkbare transacties waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat die zijn gepleegd. De verdediging voert diverse verweren: het dossier zou onvoldoende inzichtelijk zijn om buiten redelijke twijfel meer feiten aan te nemen, bij bulkgoederen zou de Verordening niet van toepassing zijn, bij een deel van de zendingen zou sprake zijn van re‑export naar derde landen (zodat geen toelating nodig is) en bovendien zou de NVWA door haar handelwijze gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt. Ook wordt betwist dat er een causaal verband is tussen de valsheid in geschrift en de behaalde winst.

LS&R 2367

Verplichte zorgverzekering en premiebetaling: vordering Zilveren Kruis toegewezen

Rechtbank Overijssel 13 jan 2026, LS&R 2367; ECLI:NL:RBOVE:2026:582 (Zilveren Kruis tegen [gedaagde]), https://www.lsenr.nl/artikelen/verplichte-zorgverzekering-en-premiebetaling-vordering-zilveren-kruis-toegewezen

Rb Overijssel 13 januari 2026, IEF 2367; ECLI:NL:RBOVE:2026:582 (Zilveren Kruis tegen [gedaagde]). De kantonrechter beoordeelt een vordering van zorgverzekeraar Zilveren Kruis tegen een verzekerde die de basispremie zorgverzekering over de maanden maart 2025 tot en met augustus 2025 onbetaald heeft gelaten. Zilveren Kruis vordert betaling van 943,50 euro aan achterstallige premies (zes keer 156,25 euro plus 6 euro acceptgirokosten), vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten. Gedaagde verweert zich met de stelling dat zij geen zorgverzekering met Zilveren Kruis heeft afgesloten, dat het CAK tegen haar wil een verzekering op haar naam heeft geregeld en dat zij om principiële redenen sinds 1 januari 2023 geen zorgverzekering meer wil, onder meer wegens onvrede over de kwaliteit van de zorg en de communicatie met instanties. De kantonrechter stelt voorop dat iedereen die in Nederland woont of werkt op grond van de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg verplicht is een zorgverzekering te hebben, tenzij een ontheffing wegens gemoedsbezwaren is verleend, wat hier niet het geval is. Bovendien mag het CAK voor een hardnekkig onverzekerde namens betrokkene een zorgverzekering afsluiten. Op basis van die overeenkomst is gedaagde gehouden premie te betalen.

LS&R 2366

Geen handhaving tegen niet‑permanente bollenteelt binnen 250 meter van woningen

Rechtbank Noord-Holland 28 jan 2026, LS&R 2366; ECLI:NL:RBNHO:2026:629 (verzoekers tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opmeer), https://www.lsenr.nl/artikelen/geen-handhaving-tegen-niet-permanente-bollenteelt-binnen-250-meter-van-woningen

Rb Noord-Holland 28 januari 2026, LS&R 2366; ECLI:NL:RBNHO:2026:629 (verzoekers tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opmeer). De bewoners van twee woningen in de gemeente Opmeer hebben het college verzocht handhavend op te treden tegen alle vormen van tuinbouw, waaronder bollenteelt, binnen 250 meter van hun percelen, specifiek op drie omliggende agrarische percelen. Zij stellen dat bollenteelt en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, waaronder PFAS-pesticiden, in strijd zijn met het bestemmingsplan “Landelijk gebied Opmeer 2014” en met de gebiedsaanduiding “overige zone weidevogelgebied”, en dat dit hun gezondheid, die van hun dieren en de natuur aantast. Het college wees het handhavingsverzoek af, omdat bij controle geen overtreding was geconstateerd en omdat volgens het bestemmingsplan niet‑permanente bollenteelt op deze agrarische gronden is toegestaan. Het college schreef de eigenaren van de omliggende percelen wel aan dat permanente bollenteelt niet is toegestaan. Verzoekers maakten bezwaar en vroegen in afwachting daarvan om een voorlopige voorziening, zodat de bollenteelt en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de nabijheid van hun woningen voorlopig zouden worden stilgelegd.

LS&R 2365

Onjuiste toepassing Vydate 10G door orchideeënkwekerij: medeplegen en geldboete

Rechtbank Amsterdam 6 nov 2025, LS&R 2365; ECLI:NL:RBAMS:2025:10874 (verdachte tegen OM), https://www.lsenr.nl/artikelen/onjuiste-toepassing-vydate-10g-door-orchideeenkwekerij-medeplegen-en-geldboete

Rb Amsterdam 6 november 2025, LS&R 2365; ECLI:NL:RBAMS:2025:10874 (verdachte tegen OM). De rechtbank Amsterdam veroordeelt een orchideeënkwekerij als rechtspersoon omdat zij in de periode van 1 september 2020 tot en met 16 september 2022 samen met anderen het gewasbeschermingsmiddel Vydate 10G in strijd met de gebruiksvoorschriften heeft toegepast bij vlinderorchideeën. De onderneming mengde Vydate met bulgur en strooide dit mengsel wekelijks na het oppotten over de planten(potten), terwijl het middel volgens de toelatings- en etiketvoorschriften uitsluitend vóór het oppotten als potgrondbehandeling in de aarde mocht worden verwerkt. De officier van justitie vorderde veroordeling wegens opzettelijke overtreding van artikel 20 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, gelezen in samenhang met artikel 55 Verordening (EG) 1107/2009, en een geldboete van 20.000 euro. De verdediging voerde onder meer aan dat de dagvaarding nietig was wegens onvoldoende verfeitelijkt tenlasteleggen, dat geen opzet bestond, dat het gebruik al eind 2021 was gestaakt en dat sprake was van ontbreken van materiële wederrechtelijkheid, en vroeg bij een eventuele veroordeling om een (geheel) voorwaardelijke boete, onder meer wegens vermeende schending van de redelijke termijn en de negatieve gevolgen van het onderzoek voor de onderneming.

LS&R 2347

Seminar: de Cyberbeveiligingswet op 16 april 2026 met vroegboekkorting

Veel van ons leven en werk speelt zich inmiddels af in de digitale wereld. Tegelijkertijd nemen cyberdreigingen toe, denk aan grote datalekken. Daarmee groeit het belang van goede digitale beveiliging voor bedrijven en publieke instellingen. Om het niveau van cyberbeveiliging binnen de Europese Unie te versterken is de NIS2-richtlijn opgesteld, de opvolger van de eerdere NIS1-richtlijn.

In Nederland wordt deze richtlijn geïmplementeerd via de Cyberbeveiligingswet (Cbw), die naar verwachting in het tweede kwartaal van 2026 in werking treedt. De Cbw vervangt de huidige Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni) en introduceert strengere verplichtingen voor organisaties in sectoren met een belangrijk maatschappelijk of economisch gewicht. De wet bevat onder meer regels over risicobeheer, meldplichten bij incidenten, bestuurlijke verantwoordelijkheid en toezicht. Daarnaast speelt de samenwerking met zogeheten Computer Security Incident Response Teams (CSIRT’s) een belangrijke rol bij het detecteren en afhandelen van cyberincidenten.

Tegelijkertijd wordt ook de Critical Entities Resilience Directive (CER-richtlijn) in Nederland geïmplementeerd, via de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke). Beide wetten zullen naar verwachting gelijktijdig in werking treden en markeren een belangrijke stap in het versterken van de digitale weerbaarheid van vitale sectoren.

LS&R 2364

Rb. Midden-Nederland wijst vorderingen tegen leverancier/onderhouder sterilisatoren af en veroordeelt kliniek tot betaling openstaande onderhoudsfacturen

4 mrt 2026, LS&R 2364; ECLI:NL:RBMNE:2026:979 ([eiseres] tegen Getinge), https://www.lsenr.nl/artikelen/rb-midden-nederland-wijst-vorderingen-tegen-leverancier-onderhouder-sterilisatoren-af-en-veroordeelt-kliniek-tot-betaling-openstaande-onderhoudsfacturen

Rb. Midden-Nederland 4 maart 2026, LS&R ECLI:NL:RBMNE:2026:979 ([eiseres] tegen Getinge). In deze zaak oordeelt de rechtbank Midden-Nederland dat [eiseres] B.V., een polikliniek kaakchirurgie en tandartspraktijk, niet heeft bewezen dat Getinge Netherlands B.V. is tekortgeschoten of onrechtmatig heeft gehandeld bij de levering en het onderhoud van twee sterilisatoren. Getinge had aangevoerd dat [eiseres] in strijd met artikel 21 Rv had gehandeld door in de dagvaarding uit te gaan van een koopovereenkomst met Getinge, terwijl feitelijk een leaseovereenkomst met [onderneming 2] B.V. was gesloten. De rechtbank oordeelt wel dat [eiseres] dit eerder had moeten vermelden, maar verbindt daaraan geen gevolgen, omdat partijen steeds rechtstreeks met elkaar hebben gecommuniceerd en Getinge daarbij nooit naar [onderneming 2] heeft verwezen als juridische eigenaar en degene die klachten moest indienen. De rechtbank laat de precieze juridische rol van [onderneming 2] daarom in het midden. Vervolgens verwerpt de rechtbank het verwijt dat de sterilisatoren niet geschikt zouden zijn voor het door [eiseres] beoogde gebruik. Volgens de rechtbank was geen afzonderlijke overeenkomst van opdracht tot advisering gesloten en mocht [eiseres] op basis van de productspecificaties en correspondentie begrijpen dat de twee geleverde HS33-sterilisatoren pasten bij de kenbaar gemaakte capaciteit van de praktijk, met de mogelijkheid om later een derde sterilisator bij te plaatsen. Ook het verwijt dat de sterilisatoren te veel storingen vertoonden, slaagt niet. De rechtbank acht van belang dat het storingsgevoelige apparaten zijn, dat niet iedere “message” een storing is, en dat in de periode maart 2024 tot maart 2025 slechts 1,3% van de ruim 1.500 cycli per sterilisator onsuccesvol was. Verder had [eiseres] geen all-in-servicecontract afgesloten, maar gekozen voor losse onderhouds- en herstelopdrachten. Van non-conformiteit of onrechtmatig handelen is daarom geen sprake.

LS&R 2363

Rb. Rotterdam: te laat beroep niet-ontvankelijk, tweede Warenwetboete voor online aanbod van niet-toegelaten novel food blijft in stand

Rechtbank Rotterdam 6 mrt 2026, LS&R 2363; ECLI:NL:RBROT:2026:2809 (eiser tegen verweerder), https://www.lsenr.nl/artikelen/rb-rotterdam-te-laat-beroep-niet-ontvankelijk-tweede-warenwetboete-voor-online-aanbod-van-niet-toegelaten-novel-food-blijft-in-stand

Rb. Rotterdam 6 maart 2026, LS&R 2363; ECLI:NL:RBROT:2026:2809 (eiser tegen verweerder). De Rechtbank Rotterdam beoordeelt in deze uitspraak twee beroepen tegen afzonderlijke Warenwetboetes van elk € 525 die aan eiser zijn opgelegd wegens het in de handel brengen van twee levensmiddelen die niet-toegelaten nieuwe voedingsmiddelen bevatten. Het gaat om twee verschillende producten en twee afzonderlijke besluiten: bestreden besluit I van 31 januari 2025 over [naam levensmiddel 2] en bestreden besluit II van 27 maart 2025 over [naam levensmiddel 1]. De rechtbank verklaart het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk, omdat het te laat is ingediend. De beroepstermijn eindigde op 14 maart 2025, terwijl het beroepschrift pas op 22 april 2025 is ontvangen. De door eiser aangevoerde redenen voor de termijnoverschrijding, dat hij beide zaken tegelijk wilde indienen, dat tweemaal griffierecht voor hem financieel bezwaarlijk was en dat hij psychogeriatrische klachten had, maken de overschrijding volgens de rechtbank niet verschoonbaar. Daarbij weegt mee dat eiser wel zelfstandig bezwaar en beroep heeft ingesteld en zo nodig een gemachtigde had kunnen inschakelen.