LS&R 2359
10 maart 2026
Uitspraak

Bewijslast boomkwekerij bij Naktuinbouw‑heffingen

 
LS&R 2347
10 maart 2026
Artikel

Seminar over de Cyberbeveiligingswet op 16 april 2026

 
LS&R 2358
10 maart 2026
Artikel

Nieuw EU‑‘pharma package’: hervorming van bescherming, beschikbaarheid en concurrentie op de geneesmiddelenmarkt

 
LS&R 2359

Bewijslast boomkwekerij bij Naktuinbouw‑heffingen

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 10 mrt 2026, LS&R 2359; ECLI:NL:CBB:2026:98 ([naam 1] B.V., te [woonplaats] ([naam 2]) tegen de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (Naktuinbouw)), https://www.lsenr.nl/artikelen/bewijslast-boomkwekerij-bij-naktuinbouw-heffingen

CBB 10 maart 2026, LS&R 2359; ECLI:NL:CBB:2026:98 ([naam 1] B.V., te [woonplaats] ([naam 2]) tegen de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (Naktuinbouw)). Deze zaak gaat over bijdragen die de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (Naktuinbouw) heeft opgelegd aan een boomkwekerij ([naam 1] B.V.) voor de seizoenen 2022, 2023 en 2025. Naktuinbouw bracht zowel areaalbijdragen (berekend per vierkante meter kwekerijoppervlak) als keuringsbijdragen (voor administratieve controles en veldkeuringen) in rekening. De kwekerij maakte bezwaar tegen deze facturen, maar Naktuinbouw verklaarde de bezwaren ongegrond, waarna beroep werd ingesteld. Volgens de kwekerij werden planten ten onrechte als teeltmateriaal aangemerkt, terwijl het volgens haar ging om eindproducten die via hoveniers aan consumenten worden verkocht. Daardoor zouden de keuringen en bijdragen geen wettelijke basis hebben. Ook stelde de kwekerij dat fytosanitaire controles overbodig zijn omdat zij die zelf uitvoert en dat door de traceerbaarheidsregels uit Verordening (EU) 2016/2031 eenvoudig kan worden vastgesteld waar planten uiteindelijk terechtkomen.

LS&R 2347

Seminar over de Cyberbeveiligingswet op 16 april 2026

Veel van ons leven en werk speelt zich inmiddels af in de digitale wereld. Tegelijkertijd nemen cyberdreigingen toe, denk aan grote datalekken. Daarmee groeit het belang van goede digitale beveiliging voor bedrijven en publieke instellingen. Om het niveau van cyberbeveiliging binnen de Europese Unie te versterken is de NIS2-richtlijn opgesteld, de opvolger van de eerdere NIS1-richtlijn.

In Nederland wordt deze richtlijn geïmplementeerd via de Cyberbeveiligingswet (Cbw), die naar verwachting in het tweede kwartaal van 2026 in werking treedt. De Cbw vervangt de huidige Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni) en introduceert strengere verplichtingen voor organisaties in sectoren met een belangrijk maatschappelijk of economisch gewicht. De wet bevat onder meer regels over risicobeheer, meldplichten bij incidenten, bestuurlijke verantwoordelijkheid en toezicht. Daarnaast speelt de samenwerking met zogeheten Computer Security Incident Response Teams (CSIRT’s) een belangrijke rol bij het detecteren en afhandelen van cyberincidenten.

Tegelijkertijd wordt ook de Critical Entities Resilience Directive (CER-richtlijn) in Nederland geïmplementeerd, via de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke). Beide wetten zullen naar verwachting gelijktijdig in werking treden en markeren een belangrijke stap in het versterken van de digitale weerbaarheid van vitale sectoren.

LS&R 2358

Nieuw EU‑‘pharma package’: hervorming van bescherming, beschikbaarheid en concurrentie op de geneesmiddelenmarkt

De Raad en het Europees Parlement hebben een politiek akkoord bereikt over het nieuwe EU‑‘pharma package’, een omvangrijke hervorming van de geneesmiddelenwetgeving die bedoeld is om de toegang van patiënten tot veilige, effectieve en betaalbare geneesmiddelen in alle lidstaten te verbeteren én de farmaceutische sector concurrerender te maken. Nieuwe geneesmiddelen krijgen onder de afgesproken regels acht jaar dataprotectie voor de gebruikte preklinische en klinische gegevens, plus één jaar marktbescherming, dat nog met een extra jaar kan worden verlengd voor bepaalde innovatieve middelen die aan twee van drie voorwaarden voldoen. Om leveringsproblemen aan te pakken, blijft een door de Raad geïntroduceerde bepaling (artikel 56a) gehandhaafd, die lidstaten de mogelijkheid geeft bedrijven te verplichten om tijdens de beschermingsperiode voldoende hoeveelheden van hun medicijnen te leveren, met aanvullende waarborgen om de verplichtingen van bedrijven en lidstaten te verduidelijken en misbruik voor parallelhandel te voorkomen.

LS&R 2357

Verplichte bufferstroken niet in strijd met eigendomsrecht agrariërs

Rechtbank Den Haag 18 feb 2026, LS&R 2357; ECLI:NL:RBDHA:2026:4118 ([eiseres 1], te [vestigingsplaats 1], gemeente [gemeente 1] en [eiseres 2] tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur)), https://www.lsenr.nl/artikelen/verplichte-bufferstroken-niet-in-strijd-met-eigendomsrecht-agrariers

Rb Den Haag 18 februari 2026, LS&R 2357; ECLI:NL:RBDHA:2026:4118 ([eiseres 1], te [vestigingsplaats 1], gemeente [gemeente 1] en [eiseres 2] tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur)). Deze uitspraak gaat over een groep agrarische ondernemers (eiseressen) die landbouwbedrijven exploiteren en op grond van recente milieuwetgeving verplicht zijn langs waterlopen op hun percelen zogeheten bufferstroken in te richten waarop geen bemesting mag plaatsvinden. Zij stellen dat deze bufferstrookverplichting hun eigendomsrecht onevenredig aantast en kwalificeren de regeling als een ongeoorloofde inmenging in eigendom in de zin van artikel 1 Eerste Protocol EVRM en artikel 17 EU‑Handvest. In de procedure vorderen zij kort gezegd een verklaring voor recht dat het onderliggende besluit (de regeling waarin de bufferstrookverplichting is vastgelegd) jegens hen buiten toepassing moet blijven zolang geen adequate schadecompensatie is voorzien, alsmede veroordeling van de Staat tot vergoeding van de door hen geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat. Hun stelling is dat de verplichting hen in hun bedrijfsvoering beperkt, tot waardevermindering en inkomensderving leidt en dat zonder passende compensatie sprake is van een disproportionele last die vooral op hun schouders neerkomt.

LS&R 2356

56e herijking maximumprijzen generieke geneesmiddelen houdt stand

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 3 mrt 2026, LS&R 2356; ECLI:NL:CBB:2026:76 (Grünenthal B.V. tegen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport), https://www.lsenr.nl/artikelen/56e-herijking-maximumprijzen-generieke-geneesmiddelen-houdt-stand

CBB 3 maart 2026, LS&R 2356; ECLI:NL:CBB:2026:76 (Grünenthal B.V. tegen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport). Grünenthal B.V. (leverancier van generieke geneesmiddelen) vocht bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven de 56e herijking van de Regeling maximumprijzen geneesmiddelen aan, vastgesteld door de minister van VWS bij regeling van 20 februari 2025 (inwerkingtreding 1 april 2025). Het bedrijf stelde dat de nieuwe maximumprijzen zo laag zijn dat zij bepaalde generieke middelen niet meer met redelijke winst in Nederland kan afzetten, wat volgens haar botst met doel en strekking van de Wet geneesmiddelenprijzen (Wgp) en leidt tot tekorten. Ook beriep Grünenthal zich op Europees recht: artikel 34/36 VWEU (vrij verkeer van goederen) en artikel 4, eerste lid, Transparantierichtlijn 89/105/EEG, omdat volgens haar voorafgaand aan de herijking een macro-economisch onderzoek had moeten plaatsvinden. Overigens was niet in geschil dat de minister het rekenkundige systeem van artikel 2 Wgp correct had toegepast; Grünenthal richtte haar beroep ook niet tegen de wetswijziging waarbij Duitsland als referentieland werd vervangen door Noorwegen.

LS&R 2355

RvS: Ctgb moet samenstelling Captan-middel openbaar maken wegens emissie-uitzondering (Wob)

Raad van State 4 mrt 2026, LS&R 2355; ECLI:NL:RVS:2026:1191 ([appellante] tegen Ctgb), https://www.lsenr.nl/artikelen/rvs-ctgb-moet-samenstelling-captan-middel-openbaar-maken-wegens-emissie-uitzondering-wob

RvS 4 maart 2026, LS&R 2355; ECLI:NL:RVS:2026:1191 ([appellante] tegen Ctgb). In deze zaak vroeg een bedrijf het Ctgb op grond van de Wob om stukken over het schimmelbestrijdingsmiddel VSM Captan 80 WG (toelatingsnummer 15585), waaronder de aanvraag/dossierstukken, de documenten waarop de vergunning (parallelhandelsvergunning) is gebaseerd en de vergunning met voorschriften. Het Ctgb vond zes documenten en maakte die deels openbaar, maar lakte in documenten 4 en 5 onder meer gegevens weg over (oorspronkelijk) fabrikanten/productielocaties en vooral de specifieke stoffen naast de werkzame stof en de exacte gehalten (de samenstelling). Omdat het besluit op bezwaar van 26 oktober 2021 dateert, is de Wob van toepassing (niet de Woo). De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep gegrond omdat het Ctgb in beroep een andere weigeringsgrond aanvoerde, maar liet de rechtsgevolgen in stand: de weggelakte passages zouden (milieu-)informatie bevatten die als bedrijfs- en fabricagegegevens kon worden geweigerd na belangenafweging.

LS&R 2354

Feitelijke leiding bij onjuist gebruik van gewasbeschermingsmiddel Vydate

Rechtbank Amsterdam 6 nov 2025, LS&R 2354; ECLI:NL:RBAMS:2025:10924 ([verdachte]), https://www.lsenr.nl/artikelen/feitelijke-leiding-bij-onjuist-gebruik-van-gewasbeschermingsmiddel-vydate

Rb Amsterdam 6 november 2025, LS&R 2354; ECLI:NL:RBAMS:2025:10924 ([verdachte]). De zaak betreft een verdachte die als feitelijk leidinggevende van twee orchideeënkwekerijen ([bedrijf 1] en [bedrijf 2]) gewasbeschermingsmiddel Vydate 10G heeft laten toepassen in strijd met de gebruiksvoorschriften en als feitelijk leidinggevende van een derde vennootschap ([bedrijf 3]) verboden gewasbeschermingsmiddelen op voorraad heeft laten houden. De bedrijven kweekten vlinderorchideeën en bestreden potworm door Vydate te mengen met bulgur en dit mengsel wekelijks, gedurende ruim twee jaar, ná het oppotten over de planten/potten te strooien, terwijl het middel volgens de toelating uitsluitend als potgrondbehandeling vóór het oppotten mocht worden gebruikt. De dagvaarding hield voor feit 1 in dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] in de periode 1 september 2020 tot en met 16 september 2022 opzettelijk in strijd met artikel 55 Verordening (EG) 1107/2009 hebben gehandeld door Vydate 10G niet op juiste wijze te gebruiken, terwijl verdachte daaraan feitelijk leiding gaf; feit 2 hield in dat [bedrijf 3] op 16 september 2022 zeven flacons Input 460 EC en twee (aangebroken) flacons Match 12821N, niet in Nederland toegelaten middelen, op voorraad had, eveneens onder feitelijke leiding van verdachte. De verdediging voerde onder meer aan dat de dagvaarding voor feit 1 nietig was wegens onvoldoende verfeitelijking, dat geen opzet aanwezig was, dat het gebruik al eind 2021 zou zijn gestaakt, en dat feit 1 niet naar artikel 55 van de Verordening was ingericht en materiële wederrechtelijkheid ontbrak; voor feit 2 is geen inhoudelijk bewijsverweer gevoerd. De officier van justitie achtte beide feiten bewezen en vorderde een taakstraf van 40 uur voor feit 1 en een geldboete van 500 euro voor feit 2.

LS&R 2353

Illegale verhandeling van D‑carvone als gewasbeschermingsmiddel: kwalificatie als gewasbeschermingsmiddel en verwerping van het verweer in cassatie

Hoge Raad 10 feb 2026, LS&R 2353; ECLI:NL:HR:2026:223 https://www.lsenr.nl/artikelen/illegale-verhandeling-van-d-carvone-als-gewasbeschermingsmiddel-kwalificatie-als-gewasbeschermingsmiddel-en-verwerping-van-het-verweer-in-cassatie

HR 10 februari 2026, LS&R 2353; ECLI:NL:HR:2026:223. De zaak betreft een bestuurder van een rechtspersoon die in Nederland een kiemremmingsmiddel voor pootaardappelen (met de stof D‑carvone) op de markt heeft gebracht, terwijl dit middel hier niet was toegelaten als gewasbeschermingsmiddel. Het middel werd onder een handelsnaam verhandeld en gepresenteerd met een gebruiksaanwijzing en etikettering die inhielden dat het diende ter bescherming van gewassen, waardoor het onder de definitie van een gewasbeschermingsmiddel van de Verordening (EG) nr. 1107/2009 viel. Het openbaar ministerie verweet de verdachte dat hij (als feitelijk leidinggever) opzettelijk en meermalen in strijd met de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden had gehandeld door een niet‑toegelaten gewasbeschermingsmiddel in de handel te brengen. In feitelijke instanties voerde de verdediging onder meer aan dat het product geen gewasbeschermingsmiddel zou zijn, dan wel dat een uitzondering of vrijstelling gold, en dat daarom geen sprake kon zijn van een strafbaar feit. De rechtbank heeft de feitenvaststelling en kwalificatie van het product als gewasbeschermingsmiddel gevolgd, het verweer verworpen, de verdachte schuldig bevonden aan het opzettelijk op de markt brengen van een niet‑toegelaten gewasbeschermingsmiddel en een straf (incl. geldboete) opgelegd.

LS&R 2352

Toelating gewasbeschermingsmiddel Wasan

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 17 feb 2026, LS&R 2352; ECLI:NL:CBB:2026:58 (PAN tegen Ctgb en Sumitomo), https://www.lsenr.nl/artikelen/toelating-gewasbeschermingsmiddel-wasan

CBB 17 februari 2026, LS&R 2352; ECLI:NL:CBB:2026:58 (PAN tegen Ctgb en Sumitomo). In deze zaak beoordeelt het College van Beroep voor het bedrijfsleven het beroep van Stichting Pesticide Action Network Netherlands (PAN) tegen de toelating door het Ctgb van het gewasbeschermingsmiddel Wasan, op basis van de werkzame stof bromuconazool. Deze stof is op EU-niveau goedgekeurd, maar staat op de lijst van stoffen die voor vervanging in aanmerking komen (Verordening (EG) nr. 1107/2009). PAN voerde onder meer aan dat het Ctgb onvoldoende onderzoek had gedaan naar hormoonverstorende eigenschappen, relevante metabolieten (TDM’s) en cumulatieve effecten van pesticiden, en dat geen deugdelijke vergelijkende evaluatie met het middel Proline had plaatsgevonden. Het College oordeelt dat het Ctgb ten onrechte heeft aangenomen dat nieuwe wetenschappelijke inzichten over de werkzame stof uitsluitend bij de herbeoordeling van die stof hoeven te worden betrokken. Ook heeft het Ctgb onvoldoende gemotiveerd waarom geen nader onderzoek naar TDM’s nodig was en waarom van een volwaardige vergelijkende evaluatie kon worden afgezien. Deze motiveringsgebreken leveren strijd op met artikel 7:12 Awb.

LS&R 2350

Last onder dwangsom wegens aardappelteelt in verbodsgebied: geen boos opzet vereist en geen schending van het evenredigheidsbeginsel

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 10 feb 2026, LS&R 2350; ECLI:NL:CBB:2026:48 (Maatschap [naam], te [woonplaats] tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), https://www.lsenr.nl/artikelen/last-onder-dwangsom-wegens-aardappelteelt-in-verbodsgebied-geen-boos-opzet-vereist-en-geen-schending-van-het-evenredigheidsbeginsel

Cbb 10 februari 2026, LS&R 2350; ECLI:NL:CBB:2026:48 (Maatschap [naam], te [woonplaats] tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur). In deze zaak had Maatschap [naam], een akkerbouwbedrijf, beroep ingesteld tegen besluiten van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Op 9 juni 2023 constateerde een toezichthouder van de NAK dat op twee percelen aardappelen werden geteeld terwijl deze percelen binnen een gebied vielen waarvoor een aardappelteeltverbod geldt (bijlage 8 van de Regeling plantgezondheid). De minister legde vervolgens op 22 juni 2023 een last onder dwangsom op om de teelt vóór 5 juli 2023 te beëindigen, met een dwangsom van € 500 per perceel per controle (maximaal € 1.500 per perceel). Hercontroles toonden echter aan dat de aardappelen bleven groeien. De minister vorderde daarom op 15 augustus 2023 twee dwangsommen van ieder € 1.000 en verklaarde bij besluit van 19 september 2023 het bezwaar van de maatschap tegen het dwangsombesluit ongegrond. Tegen deze besluiten stelde de maatschap beroep in bij het College. De maatschap voerde aan dat zij in de veronderstelling verkeerde de regels na te leven en niet wist dat de percelen binnen het verbodsgebied lagen, mede omdat een NAK-onderzoek geen waarschuwing daarover had gegeven; voorts stelde zij dat vernietiging van de pootaardappelen onevenredig was en dat minder ingrijpende maatregelen mogelijk waren.