Verplichte bufferstroken niet in strijd met eigendomsrecht agrariërs
Rb Den Haag 18 februari 2026, LS&R 2357; ECLI:NL:RBDHA:2026:4118 ([eiseres 1], te [vestigingsplaats 1], gemeente [gemeente 1] en [eiseres 2] tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur)). Deze uitspraak gaat over een groep agrarische ondernemers (eiseressen) die landbouwbedrijven exploiteren en op grond van recente milieuwetgeving verplicht zijn langs waterlopen op hun percelen zogeheten bufferstroken in te richten waarop geen bemesting mag plaatsvinden. Zij stellen dat deze bufferstrookverplichting hun eigendomsrecht onevenredig aantast en kwalificeren de regeling als een ongeoorloofde inmenging in eigendom in de zin van artikel 1 Eerste Protocol EVRM en artikel 17 EU‑Handvest. In de procedure vorderen zij kort gezegd een verklaring voor recht dat het onderliggende besluit (de regeling waarin de bufferstrookverplichting is vastgelegd) jegens hen buiten toepassing moet blijven zolang geen adequate schadecompensatie is voorzien, alsmede veroordeling van de Staat tot vergoeding van de door hen geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat. Hun stelling is dat de verplichting hen in hun bedrijfsvoering beperkt, tot waardevermindering en inkomensderving leidt en dat zonder passende compensatie sprake is van een disproportionele last die vooral op hun schouders neerkomt.
56e herijking maximumprijzen generieke geneesmiddelen houdt stand
CBB 3 maart 2026, LS&R 2356; ECLI:NL:CBB:2026:76 (Grünenthal B.V. tegen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport). Grünenthal B.V. (leverancier van generieke geneesmiddelen) vocht bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven de 56e herijking van de Regeling maximumprijzen geneesmiddelen aan, vastgesteld door de minister van VWS bij regeling van 20 februari 2025 (inwerkingtreding 1 april 2025). Het bedrijf stelde dat de nieuwe maximumprijzen zo laag zijn dat zij bepaalde generieke middelen niet meer met redelijke winst in Nederland kan afzetten, wat volgens haar botst met doel en strekking van de Wet geneesmiddelenprijzen (Wgp) en leidt tot tekorten. Ook beriep Grünenthal zich op Europees recht: artikel 34/36 VWEU (vrij verkeer van goederen) en artikel 4, eerste lid, Transparantierichtlijn 89/105/EEG, omdat volgens haar voorafgaand aan de herijking een macro-economisch onderzoek had moeten plaatsvinden. Overigens was niet in geschil dat de minister het rekenkundige systeem van artikel 2 Wgp correct had toegepast; Grünenthal richtte haar beroep ook niet tegen de wetswijziging waarbij Duitsland als referentieland werd vervangen door Noorwegen.
RvS: Ctgb moet samenstelling Captan-middel openbaar maken wegens emissie-uitzondering (Wob)
RvS 4 maart 2026, LS&R 2355; ECLI:NL:RVS:2026:1191 ([appellante] tegen Ctgb). In deze zaak vroeg een bedrijf het Ctgb op grond van de Wob om stukken over het schimmelbestrijdingsmiddel VSM Captan 80 WG (toelatingsnummer 15585), waaronder de aanvraag/dossierstukken, de documenten waarop de vergunning (parallelhandelsvergunning) is gebaseerd en de vergunning met voorschriften. Het Ctgb vond zes documenten en maakte die deels openbaar, maar lakte in documenten 4 en 5 onder meer gegevens weg over (oorspronkelijk) fabrikanten/productielocaties en vooral de specifieke stoffen naast de werkzame stof en de exacte gehalten (de samenstelling). Omdat het besluit op bezwaar van 26 oktober 2021 dateert, is de Wob van toepassing (niet de Woo). De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep gegrond omdat het Ctgb in beroep een andere weigeringsgrond aanvoerde, maar liet de rechtsgevolgen in stand: de weggelakte passages zouden (milieu-)informatie bevatten die als bedrijfs- en fabricagegegevens kon worden geweigerd na belangenafweging.
Feitelijke leiding bij onjuist gebruik van gewasbeschermingsmiddel Vydate
Rb Amsterdam 6 november 2025, LS&R 2354; ECLI:NL:RBAMS:2025:10924 ([verdachte]). De zaak betreft een verdachte die als feitelijk leidinggevende van twee orchideeënkwekerijen ([bedrijf 1] en [bedrijf 2]) gewasbeschermingsmiddel Vydate 10G heeft laten toepassen in strijd met de gebruiksvoorschriften en als feitelijk leidinggevende van een derde vennootschap ([bedrijf 3]) verboden gewasbeschermingsmiddelen op voorraad heeft laten houden. De bedrijven kweekten vlinderorchideeën en bestreden potworm door Vydate te mengen met bulgur en dit mengsel wekelijks, gedurende ruim twee jaar, ná het oppotten over de planten/potten te strooien, terwijl het middel volgens de toelating uitsluitend als potgrondbehandeling vóór het oppotten mocht worden gebruikt. De dagvaarding hield voor feit 1 in dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] in de periode 1 september 2020 tot en met 16 september 2022 opzettelijk in strijd met artikel 55 Verordening (EG) 1107/2009 hebben gehandeld door Vydate 10G niet op juiste wijze te gebruiken, terwijl verdachte daaraan feitelijk leiding gaf; feit 2 hield in dat [bedrijf 3] op 16 september 2022 zeven flacons Input 460 EC en twee (aangebroken) flacons Match 12821N, niet in Nederland toegelaten middelen, op voorraad had, eveneens onder feitelijke leiding van verdachte. De verdediging voerde onder meer aan dat de dagvaarding voor feit 1 nietig was wegens onvoldoende verfeitelijking, dat geen opzet aanwezig was, dat het gebruik al eind 2021 zou zijn gestaakt, en dat feit 1 niet naar artikel 55 van de Verordening was ingericht en materiële wederrechtelijkheid ontbrak; voor feit 2 is geen inhoudelijk bewijsverweer gevoerd. De officier van justitie achtte beide feiten bewezen en vorderde een taakstraf van 40 uur voor feit 1 en een geldboete van 500 euro voor feit 2.
Illegale verhandeling van D‑carvone als gewasbeschermingsmiddel: kwalificatie als gewasbeschermingsmiddel en verwerping van het verweer in cassatie
HR 10 februari 2026, LS&R 2353; ECLI:NL:HR:2026:223. De zaak betreft een bestuurder van een rechtspersoon die in Nederland een kiemremmingsmiddel voor pootaardappelen (met de stof D‑carvone) op de markt heeft gebracht, terwijl dit middel hier niet was toegelaten als gewasbeschermingsmiddel. Het middel werd onder een handelsnaam verhandeld en gepresenteerd met een gebruiksaanwijzing en etikettering die inhielden dat het diende ter bescherming van gewassen, waardoor het onder de definitie van een gewasbeschermingsmiddel van de Verordening (EG) nr. 1107/2009 viel. Het openbaar ministerie verweet de verdachte dat hij (als feitelijk leidinggever) opzettelijk en meermalen in strijd met de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden had gehandeld door een niet‑toegelaten gewasbeschermingsmiddel in de handel te brengen. In feitelijke instanties voerde de verdediging onder meer aan dat het product geen gewasbeschermingsmiddel zou zijn, dan wel dat een uitzondering of vrijstelling gold, en dat daarom geen sprake kon zijn van een strafbaar feit. De rechtbank heeft de feitenvaststelling en kwalificatie van het product als gewasbeschermingsmiddel gevolgd, het verweer verworpen, de verdachte schuldig bevonden aan het opzettelijk op de markt brengen van een niet‑toegelaten gewasbeschermingsmiddel en een straf (incl. geldboete) opgelegd.
Toelating gewasbeschermingsmiddel Wasan
CBB 17 februari 2026, LS&R 2352; ECLI:NL:CBB:2026:58 (PAN tegen Ctgb en Sumitomo). In deze zaak beoordeelt het College van Beroep voor het bedrijfsleven het beroep van Stichting Pesticide Action Network Netherlands (PAN) tegen de toelating door het Ctgb van het gewasbeschermingsmiddel Wasan, op basis van de werkzame stof bromuconazool. Deze stof is op EU-niveau goedgekeurd, maar staat op de lijst van stoffen die voor vervanging in aanmerking komen (Verordening (EG) nr. 1107/2009). PAN voerde onder meer aan dat het Ctgb onvoldoende onderzoek had gedaan naar hormoonverstorende eigenschappen, relevante metabolieten (TDM’s) en cumulatieve effecten van pesticiden, en dat geen deugdelijke vergelijkende evaluatie met het middel Proline had plaatsgevonden. Het College oordeelt dat het Ctgb ten onrechte heeft aangenomen dat nieuwe wetenschappelijke inzichten over de werkzame stof uitsluitend bij de herbeoordeling van die stof hoeven te worden betrokken. Ook heeft het Ctgb onvoldoende gemotiveerd waarom geen nader onderzoek naar TDM’s nodig was en waarom van een volwaardige vergelijkende evaluatie kon worden afgezien. Deze motiveringsgebreken leveren strijd op met artikel 7:12 Awb.
Last onder dwangsom wegens aardappelteelt in verbodsgebied: geen boos opzet vereist en geen schending van het evenredigheidsbeginsel
Cbb 10 februari 2026, LS&R 2350; ECLI:NL:CBB:2026:48 (Maatschap [naam], te [woonplaats] tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur). In deze zaak had Maatschap [naam], een akkerbouwbedrijf, beroep ingesteld tegen besluiten van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Op 9 juni 2023 constateerde een toezichthouder van de NAK dat op twee percelen aardappelen werden geteeld terwijl deze percelen binnen een gebied vielen waarvoor een aardappelteeltverbod geldt (bijlage 8 van de Regeling plantgezondheid). De minister legde vervolgens op 22 juni 2023 een last onder dwangsom op om de teelt vóór 5 juli 2023 te beëindigen, met een dwangsom van € 500 per perceel per controle (maximaal € 1.500 per perceel). Hercontroles toonden echter aan dat de aardappelen bleven groeien. De minister vorderde daarom op 15 augustus 2023 twee dwangsommen van ieder € 1.000 en verklaarde bij besluit van 19 september 2023 het bezwaar van de maatschap tegen het dwangsombesluit ongegrond. Tegen deze besluiten stelde de maatschap beroep in bij het College. De maatschap voerde aan dat zij in de veronderstelling verkeerde de regels na te leven en niet wist dat de percelen binnen het verbodsgebied lagen, mede omdat een NAK-onderzoek geen waarschuwing daarover had gegeven; voorts stelde zij dat vernietiging van de pootaardappelen onevenredig was en dat minder ingrijpende maatregelen mogelijk waren.
Volg deLex op LinkedIn
Volg onze LinkedIn-pagina’s om volledig op de hoogte te blijven van alles wat binnen ons vakgebied én bij onze activiteiten speelt.
Via de LinkedIn-pagina Uitgeverij deLex blijft u op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van IE-, IT- en privacyrecht. Via deze pagina ontvangt u vakinhoudelijke updates over onder meer IE-, IT-, privacy- en mediarecht, inclusief nieuws rond publicaties, jurisprudentie en relevante ontwikkelingen voor de praktijk.
Op de LinkedIn-pagina deLex Media informeren wij u over nieuwe en actuele cursussen en congressen, recente en aankomende publicaties, en overige vakinhoudelijke activiteiten die voor uw praktijk van belang kunnen zijn. Daarnaast bieden wij een professioneel overzicht van onze evenementen en initiatieven, met tijdige aankondigingen zodat u relevante opleidings- en netwerkgelegenheden niet mist.
Bezoek onze pagina’s en kies voor ‘Volgen’ om onze berichten rechtstreeks in uw tijdlijn te ontvangen en onderdeel te worden van ons netwerk.
Callistemon‑kwekerij en Meloidogyne enterolobii: rechtmatigheid en evenredigheid van maatregelen na vastgestelde besmetting
Cbb 17 februari 2026, LS&R 2351; ECLI:NL:CBB:2026:56 ([naam 1] Kwekerij B.V., te [woonplaats] ( [naam 1] ) tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)). De zaak betreft een kwekerij ([naam 1] Kwekerij B.V.) waar bij een op verzoek uitgevoerde exportinspectie van 252 Callistemon citrinus-planten, afkomstig uit een derde land, een verdenking is gerezen van besmetting met het EU‑quarantaineorganisme Meloidogyne enterolobii. De minister heeft die partij nog dezelfde dag mondeling “vastgelegd” en bij nader onderzoek is in wortelmonsters van de verwerkingsloods‑partij daadwerkelijk Meloidogyne enterolobii aangetroffen. Vervolgens heeft de minister (i) met een vastleggingsbesluit het verhandelen, verplaatsen, behandelen en vernietigen van de vastgelegde partij en het verpakkingsmateriaal verboden, (ii) met een maatregelenbesluit de vastgelegde partij besmet verklaard en alle overige wortelplanten op het bedrijf, waaronder een deel van dezelfde importpartij in de kas, aangesloten op hetzelfde watergeefsysteem, als waarschijnlijk besmet aangemerkt, met vernietigings- en saneringsmaatregelen en de verplichting tot een plan van aanpak, en (iii) met een aanvullend maatregelenbesluit toegestaan dat de waarschijnlijk besmette planten tien weken in quarantaine mochten worden gehouden in plaats van vernietigd. De kwekerij betoogt in bezwaar en beroep onder meer dat het onderzoek onzorgvuldig is, dat de kasplanten feitelijk niet in contact hebben gestaan met de besmette loods‑partij en ten onrechte tot “waarschijnlijk besmet” zijn verklaard, dat er onvoldoende wetenschappelijke basis is voor besmettingsrisico via drain- en irrigatiewater en dat een wateronderzoek van 10 liter kaswater geen aaltjes aantoonde. Daarnaast klaagt zij dat de minister haar niet actief heeft gewezen op het recht op een second opinion (tweede deskundige) op grond van artikel 35 Verordening 2017/625, dat een volledige hertest had moeten worden toegestaan, en dat de opgelegde maatregelen, inclusief de mogelijkheid van quarantaine en de duur daarvan, disproportioneel zijn en haar bedrijfsvoering onnodig hebben stilgelegd. In beroep verzoekt zij ook om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Geen verplichting tot strenger PFAS‑beleid voor de Staat
Rb Den Haag 11 februari 2026, LS&R 2349; ECLI:NL:RBDHA:2026:2175 (VERENIGING NATUUR- EN MILIEUFEDERATIE NOORD-HOLLAND te Zaandam, VERENIGING ZEEUWSE MILIEUFEDERATIE te Middelburg, STICHTING NATUUR- EN MILIEUFEDERATIE ZUID-HOLLAND te Den Haag, STICHTING FRIESE MILIEUFEDERATIE te Leeuwarden, STICHTING GEZOND WATER te Hansweert, eiseressen tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat)). De zaak betreft een collectieve actie van verschillende milieuorganisaties tegen de Staat over het Nederlandse PFAS-beleid. Volgens de organisaties leveren PFAS (zoals PFOA en PFOS) ernstige en grotendeels onomkeerbare risico’s op voor milieu en volksgezondheid. De Staat zou al geruime tijd bekend zijn met deze risico’s, maar desondanks onvoldoende doen om blootstelling van de bevolking en verdere milieubelasting terug te dringen. Zij verwijten de Staat onder meer dat de vergunningspraktijk voor PFAS-lozingen te ruim is, dat te weinig wordt ingezet op het terugdringen van bestaande verontreiniging en dat Nederland, mede gelet op art. 21 Grondwet en internationaal milieurecht, sneller en strenger had moeten optreden. De vorderingen strekken onder meer tot verklaringen voor recht dat de Staat onrechtmatig handelt door geen toereikend PFAS-beleid te voeren, tot bevelen om emissies en concentraties van PFAS binnen relatief korte termijnen aanzienlijk te reduceren, en tot het verbieden van verder uitstel van Europese en nationale normen (zoals drinkwater- en oppervlaktewaternormen en KRW-doelstellingen). Ook verlangen eisers concrete aanvullende maatregelen, waaronder strengere lozingsvergunningen, nationale verboden op bepaalde toepassingen en versnelde sanering van ernstig verontreinigde locaties.

















