Staat hoeft onderhandelingen met Novartis over vergoeding Pluvicto niet te hervatten
Rb. Den Haag 30 juli 2026, LS&R 2454; ECLI:NL:RBDHA:2026:21300 (Novartis tegen de Staat). In deze zaak tussen Novartis en de Staat staat de vergoeding van het geneesmiddel Pluvicto centraal. Pluvicto is een radiofarmaceuticum voor de behandeling van bepaalde patiënten met uitgezaaide, castratieresistente prostaatkanker. Het geneesmiddel is sinds december 2022 in de zogenoemde sluis geplaatst en maakt daardoor nog geen onderdeel uit van het verzekerde basispakket. Het Zorginstituut Nederland (ZIN) adviseerde om Pluvicto tot het basispakket toe te laten, mits de nettoprijs na prijsonderhandelingen voldoende zou dalen. De Minister van VWS en Novartis hebben vervolgens onderhandeld over een financieel arrangement. Nadat partijen geen overeenstemming bereikten over de prijs, beëindigde de Minister de onderhandelingen. Pluvicto bleef daardoor in de sluis. Novartis vordert in kort geding dat de Staat wordt bevolen de onderhandelingen onmiddellijk te hervatten en binnen vier weken af te ronden. Volgens Novartis heeft de Minister het pakketadvies van ZIN niet juist toegepast en zijn de onderhandelingen ten onrechte afgebroken.
deLex zoekt redactioneel stagiair
Ben jij rechtenstudent en nieuwsgierig naar de wereld van intellectueel eigendom? Van bekende merken, muziek, mode en social media tot AI, reclamecampagnes, design en grote sportevenementen: binnen het intellectuele eigendomsrecht, ICT-recht en privacyrecht komen voortdurend actuele en herkenbare onderwerpen voorbij. Bij deLex krijg je de kans om je hierin te verdiepen en mee te werken aan juridische nieuwsvoorziening voor professionals in deze specialistische rechtsgebieden.
Vanaf nu zoeken wij een redactioneel stagiair voor drie dagen per week. De exacte startdatum is in overleg. Als juridische uitgeverij bieden wij je de mogelijkheid om drie maanden lang mee te werken binnen een dynamische en gespecialiseerde praktijk.
Tijdens je stage houd je je onder meer bezig met het beheren van online databases, het meewerken aan vakbladen en het bijwonen van congressen en opleidingen. Je ontwikkelt je in het verzamelen en analyseren van juridische bronnen, scherpt je redactionele vaardigheden aan en krijgt volop gelegenheid om je netwerk binnen het juridische werkveld uit te breiden.
Ben je in de afrondende fase van je bachelor of volg je een master Rechtsgeleerdheid, en heb je bijzondere interesse in IE-, ICT- en privacyrecht? Stuur dan je cv en motivatiebrief naar rdolman@delex.nl.
Pluripharm krijgt in kort geding geen betaling van miljoenenachterstand
Rb. Amsterdam 2 juli 2026, LS&R2453; ECLI:NL:RBAMS:2026:6725 (Pluripharm tegen de apotheken). In deze zaak tussen Pluripharm en een aantal apotheken uit de Apotheekgroep Noordplein staat een omvangrijke betalingsachterstand voor geleverde genees- en hulpmiddelen centraal. Pluripharm levert sinds 2019 dagelijks farmaceutische producten aan de apotheken. De bestellingen werden op basis van vooruitbetaling geplaatst, waarna eventuele restbedragen moesten worden voldaan. Vanaf 2023 waren de vooruitbetalingen steeds vaker ontoereikend en liepen de betalingsachterstanden op. Pluripharm vordert in kort geding betaling van de openstaande facturen en verlangt daarnaast dat de apotheken zekerheid stellen door middel van pandrechten op onder meer vorderingen en aandelen.
Zwaarwegend belang rechtvaardigt inzage vader in medisch dossier overleden dochter
Rb. Gelderland 12 juni 2026, LS&R 2451; ECLI:NL:RBGEL:2026:5964 ([de verzoeker] tegen de huisartsenpraktijk). De rechtbank oordeelt dat de vader van een in 2022 door suïcide overleden 17-jarige op grond van artikel 7:458a lid 1 onder c BW recht heeft op inzage in een deel van haar medisch dossier. Hoewel het medisch beroepsgeheim ook na het overlijden van een patiënt blijft gelden, kan dit worden doorbroken wanneer de verzoeker een zwaarwegend belang heeft, aannemelijk maakt dat dit belang door geheimhouding mogelijk wordt geschaad en inzage noodzakelijk is voor de behartiging daarvan. Volgens de rechtbank heeft de vader voldoende aannemelijk gemaakt dat er concrete aanknopingspunten bestaan voor een mogelijk tekortschieten van de huisartsenpraktijk. Daarbij betrekt de rechtbank onder meer dat de dochter kampte met complexe psychische en verslavingsproblematiek, in de periode voorafgaand aan haar overlijden herhaaldelijk samen met jongerenwerkers de huisarts bezocht en dat het uiteindelijk vijf maanden duurde voordat een afspraak met de praktijkondersteuner jeugd plaatsvond. Ook het rapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd laat volgens de rechtbank reële vragen open over de verleende zorg, waaronder de samenwerking en regie, de dossiervoering, de inschatting van de psychische problematiek en het voortbouwen op reeds bekende informatie. In deze procedure hoeft niet vast te staan dat de huisartsenpraktijk daadwerkelijk is tekortgeschoten; beslissend is dat het vermoeden van een mogelijk tekortschieten voldoende aannemelijk is gemaakt. Het medisch dossier is noodzakelijk om duidelijkheid te verkrijgen over welke signalen wanneer met de huisartsenpraktijk zijn gedeeld en hoe daarop vervolgens is gereageerd.
Deze UPC-rechters en -experts zijn aanwezig tijdens het BIE-symposium op 30 september
Woensdag 30 september organiseren we samen met het tijdschrift Berichten Industriële Eigendom (BIE) het BIE-symposium 2026. Tijdens dit symposium bespreken we de recente ontwikkelingen van het Unified Patent Court (UPC). Het symposium vindt plaats in het Auditorium van De Brauw Blackstone Westbroek in Amsterdam en staat onder leiding van de voorzitter van de redactie van de BIE, Prof.mr. C.J.J.C. (Constant) van Nispen.
Tijdens het symposium introduceren verschillende sprekers actuele onderwerpen rond het UPC, waarna UPC-rechters en andere deskundigen vanuit hun eigen praktijk en ervaring op deze onderwerpen reageren. Tijdens het symposium zijn namelijk Rian Kalden, Margot Kokke, Peter Blok, Robert van Peursem, Bart van den Broek, Edger Brinkman én Willem Hoyng aanwezig om commentaar te leveren vanuit UPC perspectief.
Hof Den Haag stelt vergoeding voor buitenlandse CAR-T-behandeling met Yescarta vast op € 412.736,71
Hof Den Haag 28 juli 2026, LS&R 2450; ECLI:NL:GHDHA:2026:2460 (Avéro Achmea tegen [geïntimeerde]). Het Gerechtshof stelt in dit eindarrest de hoogte vast van de vergoeding voor een CAR-T-behandeling die een Nederlandse verzekerde in 2018 in het buitenland heeft ondergaan. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), die door het hof als deskundige was benoemd, berekende een passende totale vergoeding van € 435.746,36. Daarbij werd voor Yescarta, het geneesmiddel dat bij de CAR-T-behandeling werd gebruikt, een bedrag van € 310.650 gehanteerd. De deskundige sloot daarvoor aan bij de door Zorginstituut Nederland geadviseerde minimumkorting van 5% op de toenmalige vraagprijs van € 327.000. Avéro Achmea voerde aan dat mogelijk een hogere vertrouwelijke korting met fabrikant Gilead was overeengekomen en daarom van een lagere vergoedingsprijs moest worden uitgegaan. Het hof volgt dit niet. De daadwerkelijke korting was niet bekend en het hof ziet, gelet op het deskundigenbericht en de informatie van Zorginstituut Nederland en het ministerie van VWS, geen aanleiding om van het advies van de deskundige af te wijken.
NZa hoefde niet nader te onderzoeken of vergoeding voor niet-gecontracteerde MSR-zorg een hinderpaal vormde
CBb 14 juli 2026, LS&R 2449; ECLI:NL:CBB:2026:323 (Medinello Revalidatiezorg B.V. tegen NZa). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelt dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) het handhavingsverzoek van revalidatiezorgaanbieder Medinello tegen Zilveren Kruis terecht heeft afgewezen. Medinello leverde in 2024 medisch-specialistische revalidatiezorg (MSR-zorg) zonder contract met Zilveren Kruis. Voor verzekerden met een naturapolis vergoedde Zilveren Kruis maximaal 75% van het gemiddelde tarief waarvoor zij de zorg bij gecontracteerde zorgaanbieders had ingekocht. Medinello stelde dat de vergoeding voor niet-gecontracteerde MSR-zorg bij zelfstandige behandelcentra (zbc’s) zo laag was dat verzekerden feitelijk werden belemmerd om voor haar zorg te kiezen, in strijd met het hinderpaalcriterium van artikel 13 Zvw. Het College oordeelt dat Medinello belanghebbende is bij haar handhavingsverzoek en voldoende procesbelang heeft, onder meer omdat zij aannemelijk heeft gemaakt in 2024 financieel nadeel te hebben geleden doordat zij het niet-vergoede deel uit coulance niet bij haar patiënten in rekening bracht.
Rechtbank: niet-transparant prijsbeding bij medische behandeling niet oneerlijk, rentebeding mogelijk wel
Rb. Noord-Holland 27 mei 2026, LS&R 2446; ECLI:NL:RBNHO:2026:10262 (Anders Medical Factoring B.V. tegen [gedaagde]). Anders Medical Factoring B.V. vordert van een consument betaling van € 1.291,57 uit hoofde van een geneeskundige behandelingsovereenkomst, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. Omdat sprake is van een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, moet de kantonrechter ook bij verstek ambtshalve toetsen aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht. De informatieplichten van afdeling 6.5.2B BW zijn hier niet van toepassing, omdat geneeskundige behandelingsovereenkomsten op grond van artikel 6:230h lid 2 onder d BW daarvan zijn uitgezonderd. Het prijsbeding wordt wel getoetst aan Richtlijn 93/13/EEG. De kantonrechter oordeelt dat dit beding niet transparant is, omdat geen vindplaats van de toepasselijke NZa-tarievenlijst is opgenomen en bovendien onzeker is of een patiënt aan de hand daarvan zelf de prijs van de behandeling kan vaststellen. Omdat het beding niet transparant is, kan het op oneerlijkheid worden getoetst. De kantonrechter acht het beding echter niet oneerlijk, omdat de behandelingskosten worden berekend aan de hand van door de NZa vastgestelde tarieven. Het prijsbeding blijft daarom in stand.
ILT hoeft vóór marktintroductie geen oordeel te geven over markeringsplicht bekers
Rb. Den Haag 6 augustus 2026, LS&R 2444; ECLI:NL:RBDHA:2026:22077 (LIMM tegen de Staat). LIMM B.V. wil bekers voor eenmalig gebruik verkopen die volgens haar plasticvrij zijn en daarom niet zijn voorzien van de markering uit artikel 15e Besluit beheer verpakkingen (Bbv). Zij vroeg de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) vooraf duidelijkheid over de vraag of de in de bekers gebruikte lijm en inkt maken dat de bekers toch onder deze markeringsplicht vallen. De ILT liet weten geen rol te hebben bij het vooraf testen van producten op de aanwezigheid van plastic en pas na het daadwerkelijk op de markt brengen te kunnen beoordelen of de bekers terecht zonder markering worden verkocht. LIMM diende daarop een handhavingsverzoek in, maar dat werd afgewezen omdat de bekers nog niet op de markt waren aangeboden. Ook een verzoek om voorlopige voorziening bij de bestuursrechter werd afgewezen. In dit civiele kort geding vordert LIMM vervolgens dat de ILT schriftelijk en gemotiveerd kenbaar maakt of de bekers onder artikel 15e Bbv vallen. De voorzieningenrechter acht LIMM ontvankelijk en neemt spoedeisend belang aan. De civiele procedure betreft namelijk een andere rechtsvraag dan de bestuursrechtelijke procedure: niet of de staatssecretaris moest handhaven, maar of de ILT verplicht is vóór het op de markt brengen van de bekers een inhoudelijk standpunt over de markeringsplicht te geven.
CBb: afwijzing eco-regeling onjuist, maar geen aanspraak op tarief goud
CBb 18 augustus 2026, LS&R 2448; ECLI:NL:CBB:2026:372 (landbouwer tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur). Een landbouwer had voor 2023 betaling aangevraagd voor onder meer de eco-regeling van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. In zijn Gecombineerde opgaven werd aanvankelijk berekend dat hij voor tarief goud in aanmerking kwam. De minister wees de extra betaling echter af, omdat voor de eco-activiteit stikstofbindende gewassen op de percelen 4, 23 en 70 geen waarde was toegekend. Deze percelen waren volgens de minister mede gebruikt om te voldoen aan GLMC 8. Op grond van artikel 31 lid 5 onder a Verordening (EU) 2021/2115 mogen betalingen uit de eco-regeling uitsluitend worden gedaan voor verbintenissen die verder gaan dan de toepasselijke conditionaliteiten. Tijdens de zitting liet de minister zijn standpunt voor de percelen 4 en 70 vallen, omdat deze percelen niet nodig waren om aan de 7%-grens van GLMC 8 te voldoen. Voor die percelen wordt daarom alsnog waarde toegekend, waardoor de landbouwer in aanmerking komt voor tarief zilver. Het geschil beperkte zich daarna tot perceel 23. Niet in geschil was dat dit perceel wel nodig was om de 7%-grens te halen en dat de eco-activiteit stikstofbindende gewassen op dit perceel daarom niet voor waardering in aanmerking kwam.















