LS&R 1745

Afspraken uit licentieovereenkomst bepalen mede recht op naam 'Invitria'

Rechtbank Den Haag 16 okt 2019, LS&R 1745; (Medical Workshop tegen Sharpsight), http://www.lsenr.nl/artikelen/afspraken-uit-licentieovereenkomst-bepalen-mede-recht-op-naam-invitria

Rechtbank Den Haag 16 oktober 2019, IEF 18761, LS&R 1745; (Medical Workshop tegen Sharpsight) Medical Workshop is een totaalleverancier in oogheelkunde. De heer Gonçalves, bestuurder van Sharpsight, is oogarts en houder van een aantal octrooien waaronder het Europees octrooi EP 2 109 425 B1. Dit octrooi ziet op een hulpmiddel voor het vereenvoudigen van intra-vitreale injecties. Eind 2009 hebben Medical Workshop en Sharpsight een licentieovereenkomst gesloten m.b.t. Invitria, een product voortgekomen uit het octrooi. Medical Workshop is houdster van het Uniewoordmerk INVITRIA. In 2019 heeft Sharpsight het Uniewoordmerk INVITRIA gedeponeerd voor waren en diensten in klasse 10. Na publicatie door het EUIPO heeft Medical Workshop oppositie ingesteld tegen dit depot, waarop nog niet is beslist.
Medical Workshop wil dat Sharpsight ieder gebruik van het merk Invitria staakt en gestaakt houdt. Geoordeeld wordt dat Medical Workshop en Sharpsight redelijkerwijs konden verwachten dat de naam Invitria aan het product verbonden zou blijven. Dit leidt ertoe dat (Sharpsight via Gonçalves, omdat hij de octrooihouder is en hij na afloop van de Licentieovereenkomst als enige recht heeft het product te (doen) produceren en verhandelen, ook het recht heeft de naam Invitria voor het product te gebruiken.

LS&R 1744

Niet correct overdragen dossier huisarts in strijd met continuïteit patiëntenhistorie

10 okt 2019, LS&R 1744; (Verdwenen dossier), http://www.lsenr.nl/artikelen/niet-correct-overdragen-dossier-huisarts-in-strijd-met-continu-teit-pati-ntenhistorie

Het regionaal tuchtcollege voor de gezondheidszorg, Eindhoven 10 oktober 2019, IEF 18758;IT 2906, LS&R 1744; (Verdwenen dossier) Verweerder was tot 1 december 2017 werkzaam als huisarts. Hij heeft voor die datum zijn patiënten ervan op de hoogte gesteld dat zijn praktijk zal worden overgedragen aan zijn opvolgster. Klager was ongeveer dertig jaar patiënt van verweerder. Klager heeft  voor 1 december telefonisch aan de doktersassistente van verweerder laten weten dat hij niet wil overgaan naar de huisartsenpraktijk van de opvolger en dat zijn dossier moet worden overgedragen aan zijn nieuwe huisarts. Deze nieuwe huisarts heeft het dossier echter nooit ontvangen. De doktersassistente van verweerder stelt vervolgens dat ze op grond van de praktijkbeëindiging geen dossier meer van hem zou hebben en dat opvolgster zijn dossier zou moeten hebben. Ook opvolgster stelt dat zij geen dossier heeft van klager. Klager verwijt verweerder dat het medisch dossier niet correct is overgedragen aan de nieuwe huisarts, waardoor er dertig jaar medische historie van klager weg is. Verweerder heeft geen moeite gedaan om het medische dossier van klager te reconstrueren. De handelwijze van verweerder is onprofessioneel en de klacht gegrond.

LS&R 1742

Amerikaanse beslissing in geschil Ferring tegen Reprise, Serenity en Fein

, LS&R 1742; http://www.lsenr.nl/artikelen/amerikaanse-beslissing-in-geschil-ferring-tegen-reprise-serenity-en-fein

Samenvatting en uitspraak zijn ingezonden door advocaten Tjibbe Douma en Gertjan Kuipers. Zij staan Ferring bij in een lopende procedure in Nederland.

Ferring aan de ene kant en Reprise, Serenity en Fein aan de andere kant zijn verwikkeld in een wereldwijd geschil ten aanzien van octrooirechten en octrooiaanvragen die zien op desmopressine. Fein werkte vroeger voor Ferring in de VS. In Nederland lopen verschillende procedures: een waar Ferring octrooirechten en octrooiaanvragen van Reprise op “low dose low plasma” desmopressine opeist [IEF 13792] en een waar Reprise c.s. octrooirechten van Ferring op een orodispergeerbare doseringsvorm van desmopressine (gedeeltelijk) opeist omdat deze zouden zien op “sublingual” [IEF 11445].

In een Amerikaanse procedure tussen Ferring tegen Reprise, Serenity en Fein heeft de rechter op 27 september jl. uitspraak gedaan. Anders dan in het Nederlandse systeem, worden in het Amerikaanse systeem standaard de betrokkenen gehoord. Ook in dit geval zijn de relevante getuigen uitgebreid ondervraagd door de partijen en de rechter en er is gekeken naar enig “corroborating evidence”. Het is op basis daarvan dat de Amerikaanse rechter vervolgens tot zijn oordeel is gekomen. Dit systeem was in dit geval in het bijzonder van belang nu het verhaal van Reprise, Serenity en Fein gestoeld was op eigen verklaringen over de gebeurtenissen in de zomer van 2001.

LS&R 1741

Inbreuk op octrooirecht voor geneesmiddelen tegen borstkanker


Hof Den Haag 17 sep 2019, LS&R 1741; ECLI:NL:GHDHA:2019:2648 (Novartis tegen Teva), http://www.lsenr.nl/artikelen/inbreuk-op-octrooirecht-voor-geneesmiddelen-tegen-borstkanker

Hof Den Haag 17 september 2019, IEF 18737, LS&R 1741; ECLI:NL:GHDHA:2019:2648 (Novartis tegen Teva) Novartis is actief op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en verhandeling van innovatieve geneesmiddelen. Novartis is houdster van het stofoctrooi EP 0 663 916 dat ziet op de stof everolimus, een immuunonderdrukkend geneesmiddel, en Europese octrooien voor “cancer treatment“ in de vorm van 6 afgesplitste octrooien (divisionals). Teva is een internationale farmaceutische onderneming die zich bezighoudt met de vervaardiging, distributie en verhandeling van generieke en innovatieve geneesmiddelen. Teva is houdster van marktvergunningen voor een generieke versie van everolimus. Novartis heeft Teva diverse malen bij brief gewezen op haar octrooirechten en Teva verzocht haar twee maanden voorafgaand aan een marktintroductie over een dergelijk voornemen te informeren. Teva heeft Novartis bij brief op de hoogte gesteld van het voornemen om Everolimus op de markt te brengen, onder meer voor behandeling van HR+ borstkanker. Na het bestreden vonnis heeft Teva dit product op de markt gebracht. In het onderhavige geschil maakt Teva inbreuk op het octrooirecht van Novartis.

LS&R 1740

Consultatie reglement naleving geneesmiddelenreclame

De CGR heeft besloten de huidige werkwijze te verbeteren en de samenwerking met de Keuringsraad te bestendigen. Dit leidt tot een nieuw gezamenlijk Reglement van de Stichtingen CGR, KOAG en KAG. Het Reglement regelt het toezicht van de Keuringsraad, de Codecommissie en de Commissie van Beroep op de Gedragscode Geneesmiddelenreclame, de Codes voor de Publieksreclame voor Geneesmiddelen en Medische (zelfzorg)hulpmiddelen en de Code voor de Aanprijzing van Gezondheidsproducten. Belangstellenden worden gevraagd op het ontwerp-Reglement te reageren. Het streven is de nieuwe werkwijze per 2020 te laten ingaan.

De CGR ziet de reacties uiterlijk vrijdag 25 oktober tegemoet. Reacties kunnen per e-mail worden ingediend bij cgr@cgr.nl, onder vermelding van “Reactie op de consultatie nieuw Reglement”.

LS&R 1739

Conclusie AG: klachten inventiviteit medisch octrooi ongegrond

Hoge Raad 30 aug 2019, LS&R 1739; ECLI:NL:PHR:2019:939 (Coloplast tegen Medical4You), http://www.lsenr.nl/artikelen/conclusie-ag-klachten-inventiviteit-medisch-octrooi-ongegrond

Conclusie AG HR 30 augustus 2019, IEF 18717, IT 1739; ECLI:NL:PHR:2019:939 (Coloplast tegen Medical4You) In deze octrooizaak staat de geldigheid centraal van het Europese octrooi van Coloplast EP1145729 voor een gebruiksklaar urinekathetersamenstel. Dat octrooi sneuvelt bij het hof op inventiviteit [IEF 175191] en in cassatie gaat het ook alleen om de inventiviteitsvraag. De klachten richten zich op de toepassing door het hof van de problem solution approach en met name de “could-would”-regel en de benadering van het objectieve technische probleem waar het octrooi een oplossing voor zou bieden. Ook zijn klachten geformuleerd over de beoordeling van aanwijzingen die de gemiddelde vakman had (of juist niet) in de stand van de techniek richting de uitvinding. Verder speelt in cassatie of hier sprake was van het overwinnen van vooroordelen in de ogen van die vakman, of zogenoemde “secundary indicia” voor inventiviteit, zoals tijdsverloop (“long- felt need”) correct zijn benaderd door het hof en of de grenzen van de rechtsstrijd in acht zijn genomen. Ook kan volgens Coloplast de beoordeling van het hof van de combinatie-uitvindingenproblematiek de toets in cassatie niet doorstaan. Deze klachten zijn volgens AG tevergeefs voorgesteld.

LS&R 1738

Gerede kans niet inventief octrooi in beroep

Rechtbank Den Haag 17 sep 2019, LS&R 1738; ECLI:NL:RBDHA:2019:9764 (Bayer tegen Ceva), http://www.lsenr.nl/artikelen/gerede-kans-niet-inventief-octrooi-in-beroep-1

Rechtbank Den Haag 17 september 2019, IEF 18693, LS&R 1738; ECLI:NL:RBDHA:2019:9764 (Bayer tegen Ceva) Octrooirecht. Bayer maakt onderdeel uit van het internationale Duitse concern Bayer AG, dat onder meer gericht is op onderzoek naar en ontwikkeling van farmaceutische producten en diergeneesmiddelen. Ceva maakt onderdeel uit van de Ceva groep, een Frans farmaceutisch concern dat is gespecialiseerd in onder meer de ontwikkeling van medicijnen. Bayer is houdster van het EP 496 octrooi dat ziet op een samenstelling bestaande uit triazinonen en ijzer(III)-complexverbindingen voor het gelijktijdig behandelen van ijzertekorten en coccidia-infecties bij dieren. Ceva gebruikt een soortgelijke samenstelling. Ceva komt met het voornemen Forceris in september op de Nederlandse markt te brengen, waardoor zij volgens Bayer inbreuk dreigt te maken op EP 496. Onder andere Forceris en de ijzer-verbindingen zouden aan alle kenmerken van conclusie 1 voldoen. Bayer vordert een verbod inbreuk te maken op EP 496 in Nederland. De inventiviteit is in geding. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af.

LS&R 1737

AIPPI - Oproep inzendingen VIE-prijs

De Vereniging voor Intellectuele Eigendom (VIE) is de Nederlandse Groep van de internationale vereniging Association Internationale pour la Protection de la Propriété Intellectuelle (AIPPI). AIPPI heeft tot doel de nationale en internationale bescherming van Intellectuele Eigendom te bevorderen door op verschillende wijzen aandacht te vragen voor de bescherming van creatie en innovatie.

Jaarlijks reikt de vereniging de VIE-prijs uit aan een jonge auteur van een publicatie die een wezenlijke of vernieuwende bijdrage levert aan de kennis en het begrip van het intellectuele eigendomsrecht of het ongeoorloofde mededingingsrecht in Nederland.

Tijdens het IE Symposium op 11 maart 2020 zal deze prijs weer worden uitgereikt. Voor de VIE-prijs komen in aanmerking publicaties die een wezenlijke en/of vernieuwende bijdrage leveren aan de kennis en het begrip van het intellectuele eigendoms- of het ongeoorloofde mededingingsrecht in Nederland, door een auteur die op het moment van publicatie niet ouder was dan 35 jaar, in het Nederlands of Engels, die binnen vijftien maanden voorafgaand aan de uitreiking van de prijs zijn gepubliceerd. Proefschriften komen niet in aanmerking.

LS&R 1736

MS-octrooi niet nieuw en inventief

Hof Den Haag 10 sep 2019, LS&R 1736; (Swiss Pharma tegen Biogen), http://www.lsenr.nl/artikelen/ms-octrooi-niet-nieuw-en-inventief

Hof Den Haag 10 september 2019, IEF 18687, LS&R 1736 (Swiss Pharma tegen Biogen) Octrooirecht. Hoger beroep van vonnis 12 juli 2017 [IEF 16959]. Biogen houdt zich bezig met geneesmiddelen en therapieën voor de behandeling van neurologische, zeldzame ziekten en auto-immuunziekten en is houdster van het EP 127 octrooi. Swiss Pharma (SPI) fabriceert en verhandelt generieke geneesmiddelen. SPI stelt dat de conclusies van EP 127 nietig zijn, omdat deze niet nieuw zijn in het licht van Miller, die volgens SPI tot de stand van de techniek behoort, omdat EP 127 geldig beroep kan doen op de prioriteit van P1 en P2. Daarnaast stelt zij dat alle conclusies in het licht van onder meer Tubridy, het Conference Abstract en de Press Release inventiviteit mist. In eerste aanleg heeft de rechtbank het Nederlandse deel van EP 127 vernietigd en geoordeeld dat de conclusies 1, 3 en 4 niet nieuw zijn. In hoger beroep vordert Biogen vernietiging van het bestreden vonnis. Biogen slaagt er niet in de vernietiging hard te maken. Het hof bekrachtigd het vonnis in eerste aanleg.

LS&R 1735

Opinie A-G Hogan in gevoegde zaken Royalty Pharma en Sandoz

Op 11 september 2019 verscheen de conclusie van A-G Hogan in de gevoegde zaken C-650/17 (Royalty Pharma) en C-114/18 (Sandoz), waarin prejudiciële vragen zijn gesteld over artikel 3 sub a van de ABC-verordening (Vo. 469/2009). Hij borduurt hierbij voort op zaak C-121/17 (Teva/Gilead), waarin werd bevestigd dat het criterium om te bepalen wat het product dat door een van kracht zijnd basisoctrooi wordt beschermd het regime van artikel 69 EOV is, in samenhang met het uitlegprotocol van dit artikel. De reikwijdte van het aanvullend beschermingscertificaat moet daarom worden bepaald aan de hand van de conclusies van het octrooi dat de basis vormt van het ABC. Het product moet daar ofwel expliciet in worden genoemd, ofwel de conclusies moeten daar noodzakelijkerwijs en specifiek ("necessarily and specificly") naar verwijzen. In Teva/Gilead werd geoordeeld dat ten aanzien van een combinatieproduct de octrooiconclusies, in het licht van de beschrijving en tekeningen,  noodzakelijkerwijs naar de combinatie van werkzame stoffen moet verwijzen en dat elk van de werkzame stoffen afzonderlijk specifiek identificeerbaar moeten zijn in de leer van het octrooi.

LS&R 1733

Geen wettelijke grond voor verstrekken medische persoonsgegevens aan minister van VWS

Rechtbank Midden-Nederland 23 jul 2019, LS&R 1733; ECLI:NL:RBMNE:2019:3442 (X tegen Autoriteit Persoonsgegevens en NZA, CPB en Staat der Nederlanden), http://www.lsenr.nl/artikelen/geen-wettelijke-grond-voor-verstrekken-medische-persoonsgegevens-aan-minister-van-vws

Rechtbank Midden-Nederland 23 juli 2019, IT 2856, LS&R 1733; ECLI:NL:RBMNE:2019:3442 ( X tegen Autoriteit Persoonsgegevens en NZA, CPB en Staat der Nederlanden) Einduitspraak na bestuurlijke lus. Eiseres heeft verzocht om op te treden tegen de verzameling, verwerking, en verstrekking aan derden van persoonsgegevens in het Diagnose-behandelcombinatie-informatiesysteem (DIS). NZa is als beheerder van DIS derde partij. Verweerster moest nader onderzoeken of de gegevens die de NZa verzamelt en zelf verwerkt noodzakelijk zijn voor de uitvoering van zijn wettelijke taken. Ook moest worden onderzocht of het verstrekken van gegevens aan de ACM, het CBS en ZiNL noodzakelijk is voor de uitoefening van hun wettelijke taak of taken. Tot slot moest verweerster onderzoeken en motiveren waarom zij niet handhavend heeft opgetreden in de richting van de NZa vanwege de onrechtmatige verstrekking van bijzondere persoonsgegevens aan de minister van VWS en het CPB.

LS&R 1732

Prejudiciële vragen over schade door inbrengen PIP-implantaat

Hof 's-Hertogenbosch 27 aug 2019, LS&R 1732; ECLI:NL:GHSHE:2019:3188 (PIP-implantaat), http://www.lsenr.nl/artikelen/prejudici-le-vragen-over-schade-door-inbrengen-pip-implantaat

Hof 's-Hertogenbosch 27 augustus 2019, LS&R 1732; ECLI:NL:GHSHE:2019:3188 (PIP-implantaat) Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad in een PIP-zaak. Silliconenimplantaten zorgen voor pijnklachten bij een patiënte. De aansprakelijkheid van de zorgverlener voor het gebruik van een ongeschikte hulpzaak werd eerder door de rechtbank afgewezen.

LS&R 1730

Nadere verpakkingseisen Cubaanse sigaren rechtmatig

Rechtbank Den Haag 24 jul 2019, LS&R 1730; ECLI:NL:RBDHA:2019:8534 (Cubacigar tegen de Staat), http://www.lsenr.nl/artikelen/nadere-verpakkingseisen-cubaanse-sigaren-rechtmatig

Rechtbank Den Haag 24 juli 2019, IEF 18665, RB 3339, LS&R 1730; ECLI:NL:RBDHA:2019:8534 (Cubacigar tegen de Staat) Overheidsaansprakelijkheid. Cubacigar is de distributeur in de Benelux van handgemaakte Cubaanse sigaren. Het geschil betreft de rechtmatigheid van nadere verpakkingseisen voor sigaren op de Nederlandse markt. De nadere verpakkingseisen in de Tabaks- en rookwarenregeling zijn naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met de Tabaksproductenrichtlijn en het recht betreffende het vrije verkeer van goederen. De verpakkingseisen zijn gerechtvaardigd uit het oogpunt van de volksgezondheid en ook aan de eisen van het evenredigheidsbeginsel is voldaan. De vorderingen van Cubacigar worden afgewezen.

LS&R 1729

Verstrekking medisch dossier van erflater op grond van zwaarwegend belang

Rechtbank Midden-Nederland 2 jul 2019, LS&R 1729; ECLI:NL:RBMNE:2019:3621http://www.lsenr.nl/artikelen/verstrekking-medisch-dossier-van-erflater-op-grond-van-zwaarwegend-belang

Vzr. Rechtbank Midden-Nederland 2 augustus 2019, IT 2853, LS&R 1729,  ECLI:NL:RBMNE:2019:3621 (Neef tegen Inovum) De heer A. is in 2016 op 84-jarige leeftijd overleden. Vanaf 2015 tot de dag van zijn overlijden woonde hij in een zorginstelling, geëxploiteerd door Inovum. Zijn neef, eiser, is in 2016 benoemd tot enig erfgenaam. De bodemprocedure die aanhangig is bij de rechtbank gaat om de vraag of het testament rechtsgeldig is.Cruciaal in deze procedure kan het deskundigenrapport van neuroloog B. zijn over in hoeverre erflater in staat was zijn wil te bepalen. Erflater leed ook toen aan dementie. Zonder afschrift van het medisch dossier is het voor eiser niet mogelijk om te toetsen hoe de neuroloog tot zijn conclusies in zijn deskundigenrapport is gekomen. Er is sprake van een zwaarwegend belang dat de doorbreking van de geheimhoudingsplicht door Inovum rechtvaardigt.

4.7.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door [eiseres] voorgestane toestemming op basis van bovenstaande niet kan worden aangenomen. Feit is dat [eiseres] bij leven van erflater zijn mentor was. In de jurisprudentie is eens aangenomen dat aan een ex-mentor, vanwege zijn of haar taakstelling, een inzagerecht tot de (medische) gegevens van een overledene toekomt. De situatie die tot deze uitspraak heeft geleid is wat de voorzieningenrechter betreft van andere aard dan in onderhavige zaak. [eiseres] wenst toegang tot het medisch dossier van erflater niet vanuit haar hoedanigheid van (ex-)mentor, maar vanuit haar positie van testamentair erfgenaam. Ook uit de goede band die zou hebben bestaan tussen erflater en [eiseres] kan niet zonder meer veronderstelde toestemming volgen. De rol die [eiseres] heeft gespeeld bij de bezoeken aan medici, waarbij zij erflater begeleidde, is onduidelijk gebleven. Zo is niet gesteld en ook niet op een andere manier duidelijk geworden of [eiseres] tijdens deze bezoeken ook het woord heeft gevoerd namens erflater of namens hem beslissingen heeft genomen. Hierbij heeft te gelden dat aan het aannemen van een dergelijke toestemming achteraf hoge eisen moeten worden gesteld vanwege het recht op privacy van de betrokken patiënt en vanwege de algemene belangen die zijn betrokken bij het medisch beroepsgeheim.

4.10.
Bij het antwoord op de vraag of er aan de zijde van [eiseres] sprake is van een zwaarwegend belang, neemt de voorzieningenrechter de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking.

4.11.
De bodemprocedure die aanhangig is bij de rechtbank heeft betrekking op – onder meer – de vraag of het testament dat erflater heeft laten opmaken rechtsgeldig is. In deze bodemprocedure loopt [eiseres] het risico op het verliezen van haar testamentaire erfgenaamschap. Cruciaal in deze procedure kan het deskundigenrapport van neuroloog dr. [B] zijn. De vraag staat daarbij centraal in hoeverre erflater op het moment van verlijden van het testament in staat was zijn wil te bepalen. Die vraag is opgekomen omdat erflater ook toen lijdende was aan dementie. Zonder afschrift van het medisch dossier van erflater is het voor [eiseres] niet mogelijk om te toetsen hoe dr. [B] tot zijn conclusies in zijn deskundigenrapport is gekomen, namelijk dat erflater toen zijn wil niet meer kon uiten. Daarbij heeft te gelden dat [eiseres] niet langs andere weg aan deze gewenste medische informatie kan komen. Een andere bron dan het medisch dossier is er namelijk niet. Ook het horen van dr. [B] ter terechtzitting, zal onvoldoende tegemoet komen aan haar belang van het toetsen van het rapport van dr. [B] , omdat dr. [B] zich (mogelijk met succes) zal beroepen op zijn beroepsgeheim, indien het behandeldossier van [naam locatie] niet aan [eiseres] en/of aan de neef [A] bekend is.

4.12.
Inovum heeft nog aangevoerd, dat het belang van [eiseres] overwegend van financiële aard is en dat dat niet kan leiden tot de conclusie dat [eiseres] een zwaarwegend belang heeft. Dat verweer slaagt niet. Het gaat immers niet alleen daar om, maar (ook) om de vraag of er een rechtsgeldig testament tot stand is gekomen en dus of er sprake is van de uitvoering van de laatste wil van erflater, indien hij zijn wil heeft kunnen bepalen.

LS&R 1728

Geen onjuist rechtsopvatting voorbehouden zuivelbenaming

Hoge Raad 30 aug 2019, LS&R 1728; ECLI:NL:HR:2019:1293 (Nederlandse zuivelorganisatie tegen Alpro Nederland), http://www.lsenr.nl/artikelen/geen-onjuist-rechtsopvatting-voorbehouden-zuivelbenaming

HR 30 augustus 2019, IEF 18655, RB 336; LS&R 1728; ECLI:NL:HR:2019:1293 (Nederlandse zuivelorganisatie tegen Alpro Nederland) Europees recht. NZO is de brancheorganisatie van de Nederlandse zuivelindustrie. Alpro verzorgt op de Nederlandse markt de verkoop en distributie van de sojaproducten, zie ook [LS&R 1707] Deze zaak gaat over de vraag of Alpro op ontoelaatbare wijze een aantal van haar sojaproducten als zuivelproducten heeft aangeduid, althans de indruk heeft gewekt dat het om zuivelproducten gaat - “Schep-yofu” en Mild & Creamy, Alpro’s Cuisine en “Luchtig(Aeré) & Creamy”, en Alpro’s sojadranken. Op grond van Verordening (EU) 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en de voorlopers daarvan is dat verboden. In cassatie is met name aan de orde hoe de verordening moet worden uitgelegd. Of in een concreet geval sprake is van gebruik van een voorbehouden zuivelbenaming ter aanduiding van een niet-zuivelproduct hangt onmiskenbaar af van de omstandigheden van het geval. De opvatting dat het gebruik van een zuivelbenaming bij de verhandeling van een niet-zuivelproduct onder geen enkele omstandigheid is toegestaan, is niet juist.

LS&R 1727

EPO User Day in Den Haag

Register now for the EPO User Day in The Hague on 24 September 2019.

Places still available:
-Workshop on the web-based online filing system (CMS), 10.30 - 12.30 hrs, Language: German and 13.45 - 15.45 hrs, Language: French
-Technical workshop on the established EPO Online Filing software - basic installation, configuration and system administration, 10.30 - 12.30 hrs, Language: English
-Technical workshop on the established EPO Online Filing software - patent management system (PMS) gateway, 13.45 - 15.45 hrs, Language: English

LS&R 1726

Afgifte medisch dossier nodig voor beoordeling wilsbekwaamheid

Hof Arnhem-Leeuwarden 13 aug 2019, LS&R 1726; ECLI:NL:GHARL:2019:6571 (X tegen huisarts), http://www.lsenr.nl/artikelen/afgifte-medisch-dossier-nodig-voor-beoordeling-wilsbekwaamheid

Hof Arnhem-Leeuwarden 13 augustus 2019, IT 2841, LS&R 1726; ECLI:NL:GHARL:2019:6571 (X tegen huisarts) Kort geding. Medische geheimhoudingsplicht. Afgifte medisch dossier. Appellante heeft de huisarts van vader en moeder om een afschrift van de medische dossiers gevraagd. De huisarts heeft hieraan geen gevolg gegeven met een beroep op zijn medisch beroepsgeheim. Appelante stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de medische dossiers omdat zij dient te kunnen onderbouwen dat haar ouders ten tijde van de verkoop van het pand niet in staat waren hun vermogensrechtelijke belangen te overzien. Volgens haar waren beide ouders ten tijde van de verkoop en levering dement. Op de zitting bij het hof van 22 juli 2019 heeft appelante haar vordering beperkt tot het dossier van vader. De vordering wordt toegewezen. Zonder medische informatie zal de rechter zich geen of een minder goed beeld kunnen vormen van de wilsbekwaamheid dan wel eventuele wilsgebreken of beïnvloedbaarheid van vader.

LS&R 1725

Recht op inzage medisch dossier van overleden moeder op grond van machtiging

Hof Den Haag 20 aug 2019, LS&R 1725; ECLI:NL:GHDHA:2019:2103 (Medisch beroepsgeheim huisarts), http://www.lsenr.nl/artikelen/recht-op-inzage-medisch-dossier-van-overleden-moeder-op-grond-van-machtiging

Hof Den Haag 20 augustus 2019, IT 2839, LS&R 1725; ECLI:NL:GHDHA:2019:2103 (Medisch beroepsgeheim huisarts) Art. 7:458a BW (nieuw). Appelant is de zoon van wijlen mevrouw X. Geïntimeerde was haar huisarts. Appelant heeft aangifte gedaan tegen twee verpleegkundigen die bij de thuiszorg betrokken zijn geweest. Hij heeft geïntimeerde verzocht om (delen) van het medisch dossier van moeder aan hem te verstrekken. Aan het verzoek van appellant is geen gehoor gegeven. Geïntimideerde moet binnen 4 weken het gehele medische dossier aan appelant overhandigen. Nu tussen partijen vaststaat dat moeder toestemming heeft verleend aan haar zoon om haar medische dossier op te vragen, heeft appellant in beginsel recht op inzage en afschrift van het gehele dossier. Er bestaat geen grond om ervan uit te gaan dat het recht op inzage of afschrift niet verder mag gaan dan gerechtvaardigd wordt door het belang van appellant. Er hoeft niet duidelijk te worden gemaakt wat zijn belang is bij afgifte van het hele dossier en waarom niet kan worden volstaan met een minder verstrekkende wijze van inzage.

LS&R 1724

Franchiseovereenkomst niet geldig ontbonden nu daar geen reden toe was

Rechtbank Gelderland 25 mrt 2019, LS&R 1724; ECLI:NL:RBGEL:2019:2630 (De Groene Zuster tegen X), http://www.lsenr.nl/artikelen/franchiseovereenkomst-niet-geldig-ontbonden-nu-daar-geen-reden-toe-was

Rechtbank Gelderland 25 maart 2019, IEF 18634, LS&R 1724; ECLI:NL:RBGEL:2019:2630 (De Groene Zuster tegen X) Verbroken Franchiserelatie. De Groene Zuster drijft een onderneming op het gebied van medische thermografie. Gedaagde heeft met de Groene Zuster een franchiseovereenkomst gesloten voor onbepaalde tijd. Zij mag derhalve het logo en merk ‘De Groene Zuster’ gebruiken. De Groene Zuster wenste deze samenwerking te beëindigen. Gedaagde heeft echter niet voldaan aan de beëindiging. Of de overeenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd is niet vast komen te staan. Ook is niet aannemelijk geworden dat gedaagde is tekortgeschoten in de nakoming van de franchiseovereenkomst, deze is dus niet rechtsgeldig ontbonden. Wel rechtsgeldig ontbonden wederzijdse rechten en plichten blijven gedurende opzegtermijn van kracht. Wat betreft misgelopen omzet van gedaagde, deze is niet met voldoende zekerheid vast te stellen, de vordering wordt dus afgewezen. Bij haar vordering tot vergoeding van misgelopen winst heeft zij geen belang.