LS&R 1779

Conclusie A-G inzake inzagevordering van Heraeus

hamer CC0

Parket bij de Hoge Raad 3 januari 2020, LS&R 1779; ECLI:NL:PHR:2020:10 (Heraeus tegen Biomet) Twee producenten van botcement hebben een geschil over onrechtmatig gebruik van bedrijfsgeheimen. Heraeus is eiseres tot cassatie en Biomet c.s. zijn verweersters in cassatie. Hereaus had in een eerdere beschikking verlof gekregen conservatoir bewijsbeslag te leggen ten laste van Biomet c.s. De deurwaarder had een groot deel van de administratie van Biomet c.s. gekopieerd, maar het merendeel van de data was nog niet doorzocht op de aanwezigheid van onder het beslag vallende bescheiden. De onderhavige conclusie bij het parket gaat om de vordering van Heraeus om inzage te krijgen in deze data (hierna: inzagevordering). De voorzieningenrechter en het hof hebben deze vordering beide afgewezen.

In cassatie gaat het in het bijzonder over de voorwaarden in art. 843a lid 1 Rv van ‘rechtmatig belang’ en ‘bepaalde bescheiden’ en wordt de vraag opgeworpen of er een bepaalde samenhang bestaat – dan wel dient te bestaan – tussen deze vereisten. Er wordt geconcludeerd dat deze begrippen een bepaalde samenhang hebben. Uit de bescheiden moet voortvloeien waar concreet aanspraak op wordt gemaakt en er moet getoetst kunnen worden of degene die daarop aanspraak maakt een rechtmatig belang heeft daarbij. Beperkingen hierop zijn mogelijk om ongewenste fishing expeditions te voorkomen. Het hof oordeelde dat Heraeus onvoldoende concreet heeft omschreven waar de inzagevordering precies betrekking op heeft. Hierdoor kunnen Biomet c.s. en het hof niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen (i) op welke bescheiden de vorderingen betrekking hebben, (ii) of aan de voorwaarden voor toewijzing van de vorderingen is voldaan en (iii) of gewichtige redenen zich verzetten tegen toewijzing. Het parket bij de Hoge Raad is het eens met het oordeel van het hof, waardoor hij concludeert dat alle cassatieonderdelen falen.

2.42 De onderdelen 1 en 2 richten zich blijkens de procesinleiding tegen rov. 4.2 tot en met 4.11. Dat is in feite tegen het gehele arrest. De onderdelen 3 en 4 zijn meer specifiek gericht tegen rov. 4.3 tot en met 4.6 en rov. 4.9. Voor de leesbaarheid citeer ik met het oog op de onderdelen 1 en 2 vooralsnog alleen de rov. 4.1, 4.2, 4.4, 4.10 en 4.11 volledig en de overige rov. gedeeltelijk:

"[...]

4.11. Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat de voorzieningenrechter de vorderingen van Heraeus terecht heeft afgewezen. De grieven die Heraeus naar voren heeft gebracht, kunnen niet leiden tot vernietiging van die beslissing en behoeven verder geen bespreking. Aan de beoordeling of gewichtige redenen zich verzetten tegen inzage en de voor dat geval door Heraeus gevorderde alternatieve wijze van inzage, komt het hof bij deze uitkomst van de zaak niet toe. Ook heeft Biomet c.s. bij deze stand van zaken geen belang bij een beslissing van het hof op haar bezwaar tegen Heraeus’ wijziging van eis en op de klacht van Biomet c.s. dat Heraeus de twee-conclusie-regel en goede procesorde heeft geschonden.”

2.95 Uit het voorgaande volgt dat alle onderdelen falen.