LS&R 1724

Franchiseovereenkomst niet geldig ontbonden nu daar geen reden toe was

Rechtbank Gelderland 25 maart 2019, IEF 18634, LS&R 1724; ECLI:NL:RBGEL:2019:2630 (De Groene Zuster tegen X) Verbroken Franchiserelatie. De Groene Zuster drijft een onderneming op het gebied van medische thermografie. Gedaagde heeft met de Groene Zuster een franchiseovereenkomst gesloten voor onbepaalde tijd. Zij mag derhalve het logo en merk ‘De Groene Zuster’ gebruiken. De Groene Zuster wenste deze samenwerking te beëindigen. Gedaagde heeft echter niet voldaan aan de beëindiging. Of de overeenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd is niet vast komen te staan. Ook is niet aannemelijk geworden dat gedaagde is tekortgeschoten in de nakoming van de franchiseovereenkomst, deze is dus niet rechtsgeldig ontbonden. Wel rechtsgeldig ontbonden wederzijdse rechten en plichten blijven gedurende opzegtermijn van kracht. Wat betreft misgelopen omzet van gedaagde, deze is niet met voldoende zekerheid vast te stellen, de vordering wordt dus afgewezen. Bij haar vordering tot vergoeding van misgelopen winst heeft zij geen belang. 

5.6. De Groene Zuster betoogt dat tussen partijen een vaststellingsovereenkomst inhoudende de beëindiging van de samenwerking tussen partijen met wederzijds goedvinden tot stand is gekomen. Dit wordt door [naam gedaagde] gemotiveerd betwist. De voorzieningenrechter constateert dat uit de door partijen in het geding gebrachte correspondentie blijkt slechts dat zij over en weer (tegen)voorstellen hebben gedaan in het kader van de beëindiging van de samenwerking. Dat partijen op enig moment tot definitieve overeenstemming zijn gekomen volgt hier echter niet uit. De Groene Zuster heeft in dit verband aangevoerd dat uit het e-mailbericht van 1 januari 2019 van [naam gedaagde] gestanddoening en erkenning van de afspraken zoals deze tijdens de gesprekken met [naam franchise adviseur] zijn gemaakt blijkt. Dit zou volgen uit het onderwerp van het e-mailbericht: ‘ [handelsnaam gedaagde] en De Groene Zuster verbreken de samenwerking’ en uit de aankondiging dat [naam gedaagde] verder gaat onder de naam ‘ [handelsnaam gedaagde] ’. Naar oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit voornoemd e-mailbericht van [naam gedaagde] echter niet dat [naam gedaagde] akkoord is gegaan met de ‘eerder bereikte consensus’, zoals De Groene Zuster stelt. Dat partijen op 1 januari 2019 beiden de intentie hadden om de samenwerking te verbreken staat vast, maar over de (kern)voorwaarden waarop de samenwerking tussen hen zou worden verbroken bestond blijkens de uitvoerige correspondentie tussen (de advocaten van) partijen geen overeenstemming. Overigens stelt de voorzieningenrechter vast dat De Groene Zuster in haar dagvaarding ten aanzien van genoemd e-mailbericht van 1 januari 2019 er zelf vanuit gaat dat er geen vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan het concurrentiebeding zou zijn vervallen; zij stelt juist groot belang te hebben bij handhaving van dit beding (punt 47.). De conclusie is dan ook dat niet is komen vast te staan dat de tussen De Groene Zuster en [naam gedaagde] gesloten franchiseovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd.

5.14. Gelet op het voorgaande is de franchiseovereenkomst niet rechtsgeldig ontbonden, nu niet voldoende aannemelijk is geworden dat [naam gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de franchiseovereenkomst.

5.21. De voorzieningenrechter overweegt als volgt ten aanzien van de door [naam gedaagde] gestelde misgelopen omzet van € 6.230,00 als volgt. Zoals reeds onder 5.16. is overwogen bestaat tussen partijen discussie over wat er precies is gebeurd op 16 november en 13 december en 14 december 2018 en is het onduidelijk vanaf wanneer [naam gedaagde] geen toegang meer had het digitale werksysteem van De Groene Zuster. [naam gedaagde] heeft gesteld dat zij al vanaf november 2018 geen toegang had tot de software van De Groene Zuster, maar dit wordt door De Groene Zuster weersproken en [naam gedaagde] spreekt zichzelf ook tegen door elders in haar stukken te stellen dat zij (pas) vanaf 8 januari 2019 volledig is afgesloten van de digitale werkomgeving van De Groene Zuster. Nog afgezien van het feit dat [naam gedaagde] op dit punt de misgelopen omzet vordert, hetgeen niet gelijk staat aan gederfde winst, laat zich de vordering van [naam gedaagde] op De Groene Zuster thans met onvoldoende mate van zekerheid betroten. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is in dit verband dan ook niet voldaan aan de voorwaarden voor toewijzing van een geldvordering in kort geding. De vordering van [naam gedaagde] zal in zoverre worden afgewezen.

5.22. Ten aanzien van de vordering in reconventie tot betaling van € 3.500,00 per maand vanaf november 2018 aan gederfde winst wordt als volgt overwogen. Tussen partijen is niet in geschil is dat [naam gedaagde] vanaf in ieder geval 8 januari 2019 geen toegang meer heeft tot de software die zij nodig heeft om afspraken in te plannen en haar thermografiepraktijk uit te oefenen. Nog daargelaten dat de vordering van [naam gedaagde] ter zake de gederfde winst over de maanden november en december overlapt met de onder 5.18. besproken vordering van € 6.230,00, is niet vast komen te staan dat [naam gedaagde] reeds vanaf november 2018 niet meer in staat was zelf omzet te genereren. De voorzieningenrechter stelt vast dat [naam gedaagde] in ieder geval vanaf 8 januari 2019 haar werkzaamheden niet heeft kunnen uitoefenen omdat zij vanaf die datum geen toegang meer had tot de digitale werkomgeving van De Groene Zuster en zij derhalve tot op de datum van dit vonnis ongeveer tweeëneenhalve maand omzet is misgelopen. Nu De Groene Zuster onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat de door [naam gedaagde] gederfde winst per maand een bedrag van € 3.500,00 bedraagt, zal de vordering in reconventie aldus worden toegewezen, dat De Groene Zuster zal worden veroordeeld een bedrag van € 8.750,00 (2,5 maand × € 3.500,00) te betalen ter zake gederfde winst. De wettelijke handelsrente over dit bedrag zal worden toegewezen vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling. Aangezien De Groene Zuster zal worden veroordeeld [naam gedaagde] toegang te verschaffen tot de digitale werkomgeving van De Groene Zuster, en De Groene Zuster voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij geen gehoor geeft aan deze veroordeling een dwangsom verbeurt van € 5.000,00, met een maximum van € 50.000,00, heeft [naam gedaagde] naar oordeel van de voorzieningenrechter geen belang bij haar vordering tot vergoeding van misgelopen winst ad € 3.500,00 vanaf de datum van dit vonnis tot aan het einde van de overeenkomst dan wel tot het moment dat zij weer zelf winst kan genereren.