LS&R 1781

HvJ EU: toegang tot rapporten toegewezen

HvJ EU 22 januari 2020, LS&R 1781, IEFbe 3030; ECLI:EU:C:2020:24 (MSD Animal Health Innovation en Intervet International tegen EMA) In deze zaak heeft het Hof, vergelijkbaar met [LS&R 1780], de kwestie onderzocht van toegang tot documenten van de Europese Unie die zijn ingediend in het kader van aanvragen voor een vergunning voor het in de handel brengen (VHB). MSD Animal Health Innovation en Intervet International, rekwiranten in deze zaak, hadden hogere voorzieningen ingesteld tegen het arrest van het Gerecht, inhoudende de verwerping van hun beroep tot nietigverklaring van het besluit waarbij het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) toegang had verleend tot documenten die informatie bevatten die was overgelegd in het kader van VHB-aanvraagprocedures voor geneesmiddelen. De documenten waar het in casu om ging waren toxicologische testrapporten en een klinisch onderzoeksrapport, die rekwiranten hadden overgelegd bij hun VHB-aanvragen voor een geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik.

Het EMA had, nadat de vergunning voor het in handel brengen van het geneesmiddel was verleend, besloten om derden toegang te verlenen tot een gedeelte van de inhoud van die rapporten. Rekwiranten vonden dat er voor de volledige inhoud een vermoeden van vertrouwelijkheid moest gelden, in tegenstelling tot het EMA, dat vond dat, op het onleesbaar gemaakte gedeelte na, de inhoud van de rapporten geen vertrouwelijk karakter hadden. Er is geoordeeld dat er geen algemeen vermoeden van vertrouwelijkheid bestond en dat rekwiranten onvoldoende concreet en nauwkeurig hebben aangegeven welke passages van de rapporten hun commerciële belangen konden schaden bij openbaring aan derden. Hiermee is geoordeeld dat EMA rechtmatig aan derden toegang heeft verleend tot gedeelten van de inhoud van de rapporten.

59      Het uitgangspunt van het eerste middel is dus rechtens onjuist. Waar rekwirantes stellen dat „de toepassing van het algemeen vermoeden van vertrouwelijkheid niet facultatief is, in de zin dat het rechtens van toepassing is wanneer het aan de orde is en dat het EMA er bij de vaststelling van zijn besluit rekening mee moet houden”, gaan zij namelijk voorbij aan de draagwijdte die moet worden gegeven aan de voor de behandeling van verzoeken om toegang geldende regel zoals die naar voren komt in het arrest van het Hof van 14 november 2013, LPN en Finland/Commissie (C 514/11 P en C 605/11 P, EU:C:2013:738, punt 67), namelijk dat de toepassing van een algemeen vermoeden van vertrouwelijkheid integendeel altijd facultatief is voor de instelling, de instantie of het orgaan van de Unie waarbij het verzoek wordt ingediend.

96      Zoals uit punt 81 van het onderhavige arrest blijkt, hebben rekwirantes in hun bij het Gerecht ingediende verzoekschrift niet aangetoond dat zij het EMA vóór de vaststelling van het litigieuze besluit enige preciseringen hebben verstrekt over de aard, het voorwerp en de strekking van de betrokken gegevens waaruit het beweerde risico bleek, gelet op met name de in de punten 72 tot en met 92 van het bestreden arrest geformuleerde overwegingen waaruit blijkt dat openbaarmaking van die gegevens de commerciële belangen van rekwirantes niet kon ondermijnen. In het bijzonder kan uit het argument van rekwirantes niet worden afgeleid dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de vrijgegeven passages van de litigieuze rapporten geen gegevens betroffen die onder de uitzondering betreffende de bescherming van commerciële belangen konden vallen, aangezien rekwirantes bij het Gerecht niet concreet en nauwkeurig hadden aangegeven welke van die passages hun commerciële belangen konden schaden.