LS&R 1798

Klacht moeder tegen huisarts ongegrond verklaard

Regionaal tuchtcollege voor de gezondheidszorg 16 maart 2020, LS&R 1798; ECLI:NL:TGZRAMS:2020:43 (Moeder tegen huisarts) Klaagster is de moeder van een onverwachts op jonge leeftijd overleden vrouw. Zij verwijt de dienstdoende huisarts van de huisartsenpost, bij wie klaagster zes dagen voor haar overlijden op consult is geweest, onzorgvuldig en nalatig te hebben gehandeld. Meer in het bijzonder verwijt zij de huisarts de diagnose longembolie te hebben gemist. De huisarts van de HAP voert primair een niet-ontvankelijkheidsverweer, nu niet is gebleken dat de partner van de dochter van klaagster instemt met de door klaagster ingediende klacht. Secundair meent de huisarts niet onzorgvuldig te hebben gehandeld. Het niet-ontvankelijkheids-verweer van verweerder wordt verworpen, maar haar klacht wordt ongegrond verklaard.

5.5.      Verweerder heeft op 10 augustus 2018 een anamnese afgenomen en lichamelijk onderzoek verricht bij klaagster naar aanleiding van pijnklachten. Patiënte heeft verweerder verteld dat zij sinds drie dagen (7 augustus 2018) pijnklachten had, de afgelopen dagen veel had gehoest en dat bij elke beweging voornamelijk haar rug, maar ook haar schouder en borst, pijn deed. Bepaalde bewegingen maakten het erger en voornamelijk bij het hoesten werd de pijn erger. Patiënte heeft verder  verteld dat de algehele thorax stijf voelde. Bij onderzoek door verweerder bleek patiënte niet benauwd, maar had zij wel een oppervlakkige ademhaling door de spierpijn links. Er was geen sprake van verhoging en patiënte had een normale saturatiescore van 99%, een normale pols van 90 en bij pulmonaal onderzoek was sprake van normaal ademgeruis. Op basis hiervan heeft verweerder de klachten van patiënte geduid als spierpijn door veel hoesten. Hij heeft patiënte Diclofenac als pijnmedicatie voorgeschreven alsmede Pantoprazol als maagzuurremmer en patiënte aangegeven dat zij alert moest blijven en bij aanhoudende klachten contact moest opnemen met de HAP dan wel haar eigen huisarts. Het college is van oordeel dat verweerder zowel de anamnese als het lichamelijk onderzoek voldoende zorgvuldig heeft verricht en dat de door hem vergaarde gegevens zijn (werk-)diagnose ‘spierpijn door veel hoesten’ konden dragen.

Op 16 augustus 2018, zes dagen na het consult op de HAP, is patiënte uiteindelijk overleden aan de gevolgen van(massale) longembolieën in de proximale takken van de arteriae pulmonales beiderzijds. Een longembolie is een aandoening die lastig te diagnosticeren is. Klinische verschijnselen voor de aanwezigheid hiervan bij klaagster waren bij anamnese en lichamelijk onderzoek door verweerder op 10 augustus 2019 niet aanwezig. Gelet op de criteria voor een longembolie (de zogenoemde Wells-criteria) lag de diagnose longembolie bij een Wells-score van nul ook niet voor de hand. Dat verweerder op dat moment niet bedacht is geweest op – de mogelijkheid van – een longembolie, is dan ook niet onzorgvuldig te achten. Dat achteraf is gebleken dat patiënte is overleden als gevolg van longembolieën, maakt dat niet anders. Zoals hiervoor onder 5.1. immers is overwogen, vindtde toetsing van het handelen van verweerder plaats in het licht van wat hem op het moment van zijn handelen bekend was en bekend kon zijn. Het college verklaart de klacht ongegrond.