LS&R 1744

Niet correct overdragen dossier huisarts in strijd met continuïteit patiëntenhistorie

Het regionaal tuchtcollege voor de gezondheidszorg, Eindhoven 10 oktober 2019, IEF 18758, IT 2906, LS&R 1744; (Verdwenen dossier) Verweerder was tot 1 december 2017 werkzaam als huisarts. Hij heeft voor die datum zijn patiënten ervan op de hoogte gesteld dat zijn praktijk zal worden overgedragen aan zijn opvolgster. Klager was ongeveer dertig jaar patiënt van verweerder. Klager heeft  voor 1 december telefonisch aan de doktersassistente van verweerder laten weten dat hij niet wil overgaan naar de huisartsenpraktijk van de opvolger en dat zijn dossier moet worden overgedragen aan zijn nieuwe huisarts. Deze nieuwe huisarts heeft het dossier echter nooit ontvangen. De doktersassistente van verweerder stelt vervolgens dat ze op grond van de praktijkbeëindiging geen dossier meer van hem zou hebben en dat opvolgster zijn dossier zou moeten hebben. Ook opvolgster stelt dat zij geen dossier heeft van klager. Klager verwijt verweerder dat het medisch dossier niet correct is overgedragen aan de nieuwe huisarts, waardoor er dertig jaar medische historie van klager weg is. Verweerder heeft geen moeite gedaan om het medische dossier van klager te reconstrueren. De handelwijze van verweerder is onprofessioneel en de klacht gegrond.

5. […] Het college stelt vast dat verweerder het medisch dossier niet overeenkomstig de hiervoor genoemde richtlijn heeft overgedragen en ook geen (toereikende) verklaring heeft gegeven waarom hier anders dan gebruikelijk is gehandeld. Dat kennelijk de overdracht van de praktijk van verweerder aan de opvolgster op onplezierige wijze is verlopen, kan en mag niet aan klager worden tegengeworpen en ontslaat verweerder ook niet van de op hem rustende verplichting om voor een zorgvuldige overdracht te zorgen.
Ook heeft verweerder geen enkele poging gedaan om het (kennelijk) zoekgeraakte medisch dossier van klager in het belang van continuïteit van de zorg op welke manier dan ook te reconstrueren. Daarmee heeft hij de belangen van klager ernstig verwaarloosd.
De klacht zal daarom gegrond worden verklaard.
Bij het bepalen van de zwaarte van de op te leggen maatregel betrekt het college de omstandigheid dat verweerder klager (herhaaldelijk) met een kluitje in het riet heeft gestuurd door (telkens) naar anderen te verwijzen die, zoals blijkt uit hun verklaringen, geen gegevens van verweerder hebben ontvangen. De college constateert verder dat hij in deze klachtprocedure geen blijk heeft gegeven van reflectie op en inzicht in eigen handelen en zich niet toetsbaar heeft opgesteld. Zijn handelwijze kan niet anders dan als onprofessioneel worden gekwalificeerd waarmee hij de belangen van klager uit het oog heeft verloren.
Met deze stand van zaken is een maatregel van berisping daarom passend en geboden.