LS&R 1996

Octrooi voorafgaand aan pleidooi herroepen

Gerechtshof Den Haag 20 april 2021, IEF 20332, LS&R 1996; ECLI:NL:GHDHA:2020:1626 (Bayer tegen Ceva) Bayer maakt onderdeel van Bayer AG, dat zich richt op onderzoek en ontwikkeling naar farmaceutische producten en diergeneesmiddelen. Ceva maakt onderdeel uit van de Ceva groep, dat gespecialiseerd is in de ontwikkeling van medicijnen en andere farmaceutische producten voor dieren. Bayer was houdster van octrooi EP 496. Binnen Europa zijn verschillende procedures gevoerd tussen de Bayer groep en de Ceva groep wegens (niet-)inbreuk op buitenlandse delen van EP 496, waarbij door Ceva ook de geldigheid van het octrooi is bestreden. Op 17 september 2020 heeft de Technische Kamer van Beroep het octrooi volledig herroepen wegens gebrek aan inventiviteit. In eerste aanleg vorderde Bayer onder andere een op EP 496 gebaseerd inbreukverbod met nevenvorderingen. Ceva voerde verweer, onder andere stellende dat het octrooi inventiviteit ontbeerde en dat zij geen inbreuk maakte. De vorderingen van Bayer zijn toen afgewezen. Bayer vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis. Vanwege de herroeping van het octrooi gaan grieven van Bayer niet op, en zijn haar inbreukvorderingen niet toewijsbaar zijn. Bayer erkent dat zij in appel over het inhoudelijke geschil als de in het ongelijk gestelde partij moet worden beschouwd.

3.4  Niet in geschil is dat vanwege de herroeping van het octrooi de grieven van Bayer – behoudens haar tegen de begroting van de proceskosten gerichte grief – niet opgaan, en dat haar (nieuwe) inbreukvorderingen niet toewijsbaar zijn. Tevens volgt uit de herroeping dat aan de beoordeling van de tweede grief van Ceva niet wordt toegekomen, nu de voorwaarde waaronder die is ingesteld (kort gezegd dat het hof het octrooi niet voorshands als nietig zou beoordelen) niet in vervulling gaat. Bayer erkent dat zij in appel wat het inhoudelijke geschil betreft als de in het ongelijk gestelde partij moet worden beschouwd, die moet worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van Ceva in deze procedure, te begroten op de voet van 1019h Rv. Ter discussie zijn uitsluitend de hoogte van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg en de hoogte van de door het hof op de voet van 1019h Rv te begroten proceskosten van Ceva in de appelprocedure.