LS&R 1998

Prejudiciële vragen over biometrische gegevens voor politionele doeleinden

Spetsializiran nakazatelen sad (Bulgarije) 10 mei 2021, IT 3722, LS&R 1998, IEFbe 3328; C-205/21 (Ministerstvo na vatreshnite raboti) via Minbuza. Op 01-03-2021 is een akte van formele beschuldiging opgesteld ten aanzien van B.C. Onmiddellijk na de formele beschuldiging is zij verzocht om medewerking te verlenen aan de uitvoering van een politionele registratie: het nemen van vingerafdrukken en foto’s, en stalen voor het aanmaken van een DNA-profiel. B.C. wilde dit niet, zij heeft diezelfde dag nog in een formulier verklaard dat zij in kennis was gesteld van het bestaan van een wettelijke grondslag voor de uitvoering van haar politionele registratie overeenkomstig de ZMVR. Ook heeft zij in dat formulier de officiële verklaring afgelegd dat zij niet bereid is om vingerafdrukken te laten afnemen, zich te laten fotograferen en stalen af te staan voor het aanmaken van een DNA-profiel. Zij is vervolgens niet onderworpen aan de genoemde handelingen met het oog op politionele registratie. In plaats daarvan hebben de politiediensten zich gewend tot de verwijzende rechter. De verwijzende rechter wenst te vernemen of de bewoordingen van de nationale wettelijke regeling kunnen leiden tot een met de Unierechtelijke criteria verenigbare conclusie dat de verwerking van genetische en biometrische gegevens voor politionele doeleinden in beginsel is toegestaan door de nationale wet.

Prejudiciële vragen:

1. Is artikel 10 van richtlijn 2016/680 rechtsgeldig uitgevoerd in nationaal recht door de verwijzing in de nationale wet – met name artikel 25, lid 3, en artikel 25a van de Zakon za ministerstvo na vatreshnite raboti (wet op het ministerie van Binnenlandse Zaken) – naar de soortgelijke bepaling van artikel 9 van verordening 2016/679?

2. Is voldaan aan het in artikel 10, onder a), van richtlijn 2016/680 – gelezen in samenhang met artikel 52 ervan en met de artikelen 3 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – gestelde vereiste dat een beperking van het recht op menselijke integriteit en van het recht op bescherming van persoonsgegevens bij wet moet zijn voorzien, wanneer er sprake is van tegenstrijdige nationale bepalingen met betrekking tot de vraag of de verwerking van genetische en biometrische gegevens met het oog op registratie door de politie is toegestaan?

3. Verzet artikel 6, onder a), van richtlijn 2016/680 juncto artikel 48 van het Handvest zich tegen nationale wettelijke bepalingen – met name artikel 68, lid 4, van de wet op het ministerie van Binnenlandse Zaken – die aan de rechter de verplichting opleggen om de verplichte verzameling van persoonsgegevens (het nemen van dossierfoto’s en vingerafdrukken, alsook van stalen met het oog op het aanmaken van een DNA-profiel) te bevelen, wanneer een van een ambtshalve vervolgbaar en opzettelijk strafbaar feit beschuldigde persoon weigert vrijwillig mee te werken aan deze verzameling van persoonsgegevens, zonder dat de rechter kan beoordelen of er gegronde vermoedens bestaan dat deze persoon het ten laste gelegde ambtshalve vervolgbaar en opzettelijk strafbaar feit heeft gepleegd?

4. Verzetten artikel 10, artikel 4, lid 1, onder a) en c), en artikel 8, leden 1 en 2, van richtlijn 2016/680 zich tegen nationale wettelijke bepalingen – met name artikel 68, leden 1 tot en met 3, van de wet op het ministerie van Binnenlandse Zaken – volgens welke als algemene regel geldt dat van alle van ambtshalve vervolgbare en opzettelijke strafbare feiten beschuldigde personen dossierfoto’s en vingerafdrukken moeten worden genomen, alsook stalen met het oog op het aanmaken van een DNA-profiel?