LS&R 1654

Prejudicieel gestelde vragen over verwijzingen naar algemene, niet-specifieke voordelen uit Claimsverordening

Prejudicieel gestelde vragen aan HvJ EU 12 juli 2018, RB 3223; LS&R 1654; C-524/18 (Doppelherz) Gezondheidsclaims. Via Minbuza. Verzoekster (Dr. Willmar Schwabe) produceert en verkoopt in Duitsland onder de benaming Tebonin® kruidengeneesmiddelen met extract van ginkgobladeren. Deze geneesmiddelen mogen worden gebruikt voor de symptomatische behandeling van hersengebonden verminderde geestelijke prestaties, waaronder vooral geheugen en concentratiestoornissen. Verweerster (Queisser Pharma) verkoopt geneesmiddelen en voedingssupplementen onder de overkoepelende merknaam Doppelherz®, waaronder het voedingssupplement Doppelherz® aktiv Ginkgo + B-Vitamine + Cholin. Op de voorzijde van de verpakking van dit product stond: “B-Vitamine und Zink) für Gehirn, Nerven, Konzentration und Gedächtnis”. Volgens verzoekster levert deze claim schending op van meerdere bepalingen van de verordening en van het in het levensmiddelenrecht en in het mededingingsrecht neergelegde algemene verbod van misleiding.

Verzoekster heeft met haar vordering verzocht om verweerster op straffe van dwangmiddelen te verbieden het voedingssupplement aan te prijzen, wanneer dat geschiedt zoals hiervoor uiteengezet. Verzoekster heeft verweerster bovendien verzocht om informatie te verstrekken en om rekening en verantwoording af te leggen en heeft tevens verzocht om vaststelling van verweersters schadevergoedingsplicht. De rechter in eerste aanleg heeft de vordering afgewezen. Verzoeksters hoger beroep is tevens niet geslaagd. Met haar beroep in Revision handhaaft verzoekster haar vorderingen. De verwijzende rechter concludeert dat het Hof om richtsnoeren moet worden gevraagd over de uitlegging van verordening (EG) nr. 1924/2006.

Prejudiciële vragen:

1. Gaat een verwijzing naar algemene, niet-specifieke voordelen op het gebied van de gezondheid reeds „gepaard met” specifieke gezondheidsclaims overeenkomstig de in de artikelen 13 en 14 van verordening (EG) nr. 1924/2006 bedoelde lijsten, in de zin van artikel 10, lid 3, van deze verordening, wanneer de verwijzing en de toegestane claims zich respectievelijk op de voorzijde en op de achterzijde van een verzamelverpakking bevinden en de claims volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende opvattingen inhoudelijk weliswaar duidelijk verband houden met de verwijzing maar de verwijzing geen ondubbelzinnige referentie, zoals bijvoorbeeld een asterisk, naar de claims op de achterzijde bevat?

2. Moeten ook verwijzingen naar algemene, niet-specifieke voordelen in de zin van artikel 10, lid 3, van verordening (EG) nr. 1924/2006 onderbouwd zijn met bewijzen in de zin van artikel 5, lid 1, onder a), en artikel 6, lid 1, van deze verordening?