DOSSIERS
Alle dossiers
Gepubliceerd op dinsdag 31 maart 2026
LS&R 2364
||
4 mrt 2026
4 mrt 2026, LS&R 2364; ECLI:NL:RBMNE:2026:979 ([eiseres] tegen Getinge), https://www.lsenr.nl/artikelen/rb-midden-nederland-wijst-vorderingen-tegen-leverancier-onderhouder-sterilisatoren-af-en-veroordeelt-kliniek-tot-betaling-openstaande-onderhoudsfacturen

Rb. Midden-Nederland wijst vorderingen tegen leverancier/onderhouder sterilisatoren af en veroordeelt kliniek tot betaling openstaande onderhoudsfacturen

Rb. Midden-Nederland 4 maart 2026, LS&R ECLI:NL:RBMNE:2026:979 ([eiseres] tegen Getinge). In deze zaak oordeelt de rechtbank Midden-Nederland dat [eiseres] B.V., een polikliniek kaakchirurgie en tandartspraktijk, niet heeft bewezen dat Getinge Netherlands B.V. is tekortgeschoten of onrechtmatig heeft gehandeld bij de levering en het onderhoud van twee sterilisatoren. Getinge had aangevoerd dat [eiseres] in strijd met artikel 21 Rv had gehandeld door in de dagvaarding uit te gaan van een koopovereenkomst met Getinge, terwijl feitelijk een leaseovereenkomst met [onderneming 2] B.V. was gesloten. De rechtbank oordeelt wel dat [eiseres] dit eerder had moeten vermelden, maar verbindt daaraan geen gevolgen, omdat partijen steeds rechtstreeks met elkaar hebben gecommuniceerd en Getinge daarbij nooit naar [onderneming 2] heeft verwezen als juridische eigenaar en degene die klachten moest indienen. De rechtbank laat de precieze juridische rol van [onderneming 2] daarom in het midden. Vervolgens verwerpt de rechtbank het verwijt dat de sterilisatoren niet geschikt zouden zijn voor het door [eiseres] beoogde gebruik. Volgens de rechtbank was geen afzonderlijke overeenkomst van opdracht tot advisering gesloten en mocht [eiseres] op basis van de productspecificaties en correspondentie begrijpen dat de twee geleverde HS33-sterilisatoren pasten bij de kenbaar gemaakte capaciteit van de praktijk, met de mogelijkheid om later een derde sterilisator bij te plaatsen. Ook het verwijt dat de sterilisatoren te veel storingen vertoonden, slaagt niet. De rechtbank acht van belang dat het storingsgevoelige apparaten zijn, dat niet iedere “message” een storing is, en dat in de periode maart 2024 tot maart 2025 slechts 1,3% van de ruim 1.500 cycli per sterilisator onsuccesvol was. Verder had [eiseres] geen all-in-servicecontract afgesloten, maar gekozen voor losse onderhouds- en herstelopdrachten. Van non-conformiteit of onrechtmatig handelen is daarom geen sprake.

In reconventie wijst de rechtbank de vorderingen van Getinge wel toe. Vaststaat dat Getinge sinds 2021 geen betalingen meer heeft ontvangen voor onderhoud aan de sterilisatoren en aanverwante apparatuur, terwijl tussen partijen niet in geschil is dat deze werkzaamheden wel zijn verricht. Het verweer van [eiseres] dat deze kosten voor rekening van Getinge zouden moeten blijven wegens vermeende non-conformiteit faalt, gelet op het oordeel in conventie. De rechtbank oordeelt dat de betalingsverplichting berust op de door [eiseres] verstrekte opdrachten voor reparatie- en onderhoudswerkzaamheden in de zin van artikel 7:400 BW. Ook vijf facturen die volgens Getinge niet zijn verzonden, moeten worden betaald, omdat [eiseres] niet betwist dat de betreffende werkzaamheden zijn uitgevoerd. De rechtbank verklaart daarom voor recht dat [eiseres] gehouden is de onderhoudsfacturen te voldoen en stelt het verschuldigde bedrag vast op € 61.955,02, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum van de afzonderlijke facturen, behalve voor vijf niet verzonden facturen, waarvoor de rente loopt vanaf de datum van de eis in reconventie. Daarnaast veroordeelt de rechtbank [eiseres] in de proceskosten in conventie (€ 12.223,00), in reconventie (€ 1.362,00) en in de nakosten (€ 278,00, te verhogen met € 92,00 plus betekeningkosten indien niet tijdig wordt betaald). Het vonnis is voor deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

in reconventie

4.3.

verklaart voor recht dat [eiseres] gehouden is aan Getinge de facturen ten behoeve van onderhoud aan de sterilisatoren en aanverwante apparatuur te voldoen voor het onderhoud verricht vanaf 1 januari 2023 vanaf de vervaltermijn zoals vermeld op iedere factuur,

4.4.

stelt de hoogte hiervan vast op een bedrag van € 61.955,02, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf de vervaldatum van elk van de afzonderlijke fracturen (met uitzondering van de facturen met factuurnummers 3239088538, 3239089111, 3239089393, 323903197 en 3239094243, waarover vanaf de datum van de dagvaarding wettelijke handelsrente verschuldigd is) tot aan de dag van de algehele voldoening,

4.5.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.362,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,