Gepubliceerd op maandag 30 maart 2026
LS&R 2363
Rechtbank Rotterdam ||
6 mrt 2026
Rechtbank Rotterdam 6 mrt 2026, LS&R 2363; ECLI:NL:RBROT:2026:2809 (eiser tegen verweerder), https://www.lsenr.nl/artikelen/rb-rotterdam-te-laat-beroep-niet-ontvankelijk-tweede-warenwetboete-voor-online-aanbod-van-niet-toegelaten-novel-food-blijft-in-stand

Rb. Rotterdam: te laat beroep niet-ontvankelijk, tweede Warenwetboete voor online aanbod van niet-toegelaten novel food blijft in stand

Rb. Rotterdam 6 maart 2026, LS&R 2363; ECLI:NL:RBROT:2026:2809 (eiser tegen verweerder). De Rechtbank Rotterdam beoordeelt in deze uitspraak twee beroepen tegen afzonderlijke Warenwetboetes van elk € 525 die aan eiser zijn opgelegd wegens het in de handel brengen van twee levensmiddelen die niet-toegelaten nieuwe voedingsmiddelen bevatten. Het gaat om twee verschillende producten en twee afzonderlijke besluiten: bestreden besluit I van 31 januari 2025 over [naam levensmiddel 2] en bestreden besluit II van 27 maart 2025 over [naam levensmiddel 1]. De rechtbank verklaart het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk, omdat het te laat is ingediend. De beroepstermijn eindigde op 14 maart 2025, terwijl het beroepschrift pas op 22 april 2025 is ontvangen. De door eiser aangevoerde redenen voor de termijnoverschrijding, dat hij beide zaken tegelijk wilde indienen, dat tweemaal griffierecht voor hem financieel bezwaarlijk was en dat hij psychogeriatrische klachten had, maken de overschrijding volgens de rechtbank niet verschoonbaar. Daarbij weegt mee dat eiser wel zelfstandig bezwaar en beroep heeft ingesteld en zo nodig een gemachtigde had kunnen inschakelen.

Het beroep tegen bestreden besluit II is ongegrond. Niet in geschil is dat [voedingsmiddel 1] een nieuw voedingsmiddel is in de zin van Verordening (EU) 2015/2283 en dat daarvoor geen toelating in de Europese Unie bestaat. De kernvraag is daarom of eiser het product “in de handel heeft gebracht”. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend, omdat het product via eisers website te koop werd aangeboden met een productomschrijving, prijs, winkelwagen en afrekenmogelijkheid, zodat eiser het in zijn macht had dat het product aan consumenten werd geleverd. Voor “in de handel brengen” is volgens de rechtbank niet vereist dat het product fysiek op voorraad is; ook online verkoopvormen zoals dropshipping vallen daaronder. De rechtbank acht daarom bewezen dat eiser artikel 6, tweede lid, van Verordening (EU) 2015/2283, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit nieuwe voedingsmiddelen en genetisch gemodificeerde levensmiddelen, heeft overtreden en dat de staatssecretaris bevoegd was de boete op te leggen. Van onevenredigheid is geen sprake: het feit dat eiser stelt zijn onderneming te hebben beëindigd doet daar niet aan af, mede omdat hij nog in het Handelsregister staat ingeschreven en er nog een tweede operationele website op zijn adres staat geregistreerd. Ook het feit dat sprake is van twee soortgelijke boetes maakt de tweede boete niet onredelijk, omdat het om twee afzonderlijke overtredingen gaat. Verwijzingen van eiser naar de meldplicht uit Verordening (EG) 178/2002 en naar een schriftelijke waarschuwing van 27 november 2024 over HACCP-beginselen kunnen aan dit oordeel niet afdoen, omdat die kwesties niet aan de boetebesluiten ten grondslag liggen. De slotsom is dat één beroep niet-ontvankelijk is en het andere ongegrond, zodat beide boetes in stand blijven en geen aanleiding bestaat voor schadevergoeding, terugbetaling van griffierecht of een proceskostenveroordeling.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep in zaaknummer ROT 25/3492 is niet-ontvankelijk omdat het beroep tegen bestreden besluit I te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank beoordeelt deze zaak dus niet inhoudelijk.

10. Het beroep in zaaknummer ROT 25/3467 is ongegrond. Dat betekent dat de bestuurlijke boete van € 525,- voor het in de handel brengen van het product ‘ [naam levensmiddel 1] ’ in stand blijft.

12. Omdat de beroepen niet-ontvankelijk, respectievelijk ongegrond zijn verklaard, krijgt eiser het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.