LS&R 1711

Registratiedossier geneesmiddel is geen databank

Rechtbank Midden-Nederland 14 mei 2019, IEF 18489, LS&R 1711; ECLI:NL:RBMNE:2019:2221 (X tegen CBG) Wob. Auteurswet. Geneesmiddelenwet. Databankenwet. Derde-partij heeft verweerder verzocht om openbaarmaking van het registratiedossier van geneesmiddel Y. Eiseres verzet zich hiertegen en voert aan dat verweerder openbaarmaking van het registratiedossier integraal had moeten weigeren, omdat er rechten van intellectuele eigendom op rusten en Auteurswet (Aw), Databankenwet (Dw) en Geneesmiddelenwet (Gmw) een uitputtende openbaarmakingsregeling bevatten die aan openbaarmaking op grond van de Wob in de weg staan. De Geneesmiddelenwet en Auteurswet bevatten geen uitputtende openbaarmakingsregeling. Het registratiedossier is geen databank. CBG heeft artikel 10, lid 2, g, van de Wob juist toegepast door alleen de wetenschappelijke conclusies van de vergunninghouder in het registratiedossier bij de aanvraag van de handelsvergunning niet openbaar te maken. Geen integrale geheimhouding van het registratiedossier. Onevenredige benadeling bij gedeeltelijke openbaarmaking van het registratiedossier (bibliografische aanvraag) is niet aannemelijk.

Rechten van intellectuele eigendom

5. De rechtbank is van oordeel dat voor auteursrechtelijke bescherming vereist is, dat het werk een eigen intellectuele schepping van de maker is1. Dat is het geval wanneer de auteur bij het maken van het werk zijn creatieve bekwaamheden tot uiting heeft kunnen brengen door het maken van vrije en creatieve keuzen2. Aan dit criterium is echter niet voldaan wanneer voor het werk technische overwegingen, regels of beperkingen gelden die geen ruimte laten voor creatieve vrijheid.

Uitputtende Openbaarmakingsregeling

7. Op de zitting heeft eiseres naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 20 december 20174 , de beroepsgrond dat de Aw aan openbaarmaking van het registratiedossier in de weg staat, omdat er een uitputtende openbaarmakingsregeling zou gelden, niet langer gehandhaafd. Niettemin is naar volgens eiseres nog steeds sprake van een stuk waarop rechten van intellectuele eigendom rusten wat kan worden meegewogen bij de toepassing van de uitzonderingsgrond voor onevenredige benadeling.

8. De rechtbank overweegt dat de Wob als algemene openbaarmakingsregeling wijkt voor bijzondere openbaarmakingsregelingen met een uitputtend karakter, neergelegd in wetten in formele zin. Zo'n regeling is uitputtend als zij ertoe strekt te voorkomen dat door toepassing van de Wob afbreuk zou worden gedaan aan de goede werking van materiële bepalingen in de bijzondere wet. Het is niet langer in geschil dat de Aw geen uitputtende openbaarmakingsregeling bevat. De rechtbank is van oordeel dat ook de Gmw geen uitputtende openbaarmakingsregeling bevat, zodat een recht op grond van de Gmw in beginsel niet op die grond aan openbaarmaking op grond van de Wob in de weg staat. De rechtbank verwijst voor dit standpunt naar de uitspraak van de ABRvS van 19 november 20145. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht gesteld dat de Aw en de Gmw geen uitputtende openbaarmakingsregeling bevatten die de Wob opzij zetten. Dat een werk auteursrechtelijk beschermd wordt, staat aan openbaarmaking op grond van de Wob in beginsel niet in de weg. Dat is anders als één van de weigeringsgronden van de Wob van toepassing is op (een deel van) een auteursrechtelijk beschermd werk.

17. Eiseres heeft nog aangevoerd dat verweerder alleen tot openbaarmaking mag overgaan onder de voorwaarde dat zij meedeelt wie de Wob-verzoeker is, zodat de Wob-verzoeker geïnformeerd kan worden over de bestaande rechten van intellectuele eigendom.

Met dit standpunt gaat eiseres er aan voorbij dat openbaarmaking op grond van de Wob inhoudt dat de informatie openbaar wordt gemaakt voor een ieder. In de beslissing van 29 januari 2018 over verweerders geheimhoudingsverzoek is op dit punt, samengevat, beslist dat kennisneming van onder andere de persoonsgegevens van de verzoeker beperkt mag worden tot de rechtbank. De rechtbank ziet in de Wob noch in de Awb een grondslag om verweerder te verplichten de identiteit van de Wob-verzoeker aan eiseres kenbaar te maken en om dat als voorwaarde aan openbaarmaking te verbinden.

18. Tot slot ziet de rechtbank geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen, zoals voorgesteld door eiseres, te meer omdat er recente uitspraken zijn van het HvJ waarin de relevantie van de TRIPs-overeenkomst ten opzichte van openbaarmaking op grond van de (Euro)wob uitgebreid is besproken, evenals het door eiseres gevoerde standpunt dat vertrouwelijkheid van het overgelegde registratiedossier aan openbaarmaking in de weg staat.