LS&R 1893

Staat hoeft gebruik PCR-test niet te staken en communicatie over coronavirus niet aan te passen

Vzr Rechtbank Den Haag 9 december 2020, IEF 19644, LS&R 1893; ECLI:NL:RBDHA:2020:12449 (Viruswaarheid tegen de Staat) Kort geding. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de Staat het gebruik van de PCR-test in het kader van het testbeleid ter bestrijding van het coronavirus niet hoeft te staken. De Staat gebruikt de PCR-test alleen om aanwezigheid van het coronavirus op te sporen en gaat er net als Viruswaarheid vanuit dat voor het stellen van een diagnose een arts vereist is. Uit de gebruiksaanwijzingen van de fabrikanten blijkt niet dat de test niet ingezet kan worden op de manier waarop de Staat dat doet, waarbij van diagnosestelling en een behandeling nog geen sprake is.

Ook de overheidscommunicatie over het coronavirus hoeft niet te worden aangepakt. De Staat verstrekt zeer uitvoerige informatie over het coronavirus. Die informatie is voor het publiek online terug te vinden. De communicatie wordt aangepast als nieuwe inzichten daar aanleiding voor geven of als correcties nodig zijn. Dat getuigt van zorgvuldigheid en maakt niet dat eerdere overheidscommunicatie – die achteraf gezien mogelijk gecorrigeerd moest worden – onrechtmatig is. De vorderingen van Viruswaarheid worden afgewezen.

4.14.
Met dit alles heeft de Staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat de PCR-test voldoende betrouwbaar is om te worden ingezet bij het testbeleid. Gelet op deze betrouwbaarheid, omdat de PCR-test internationaal gezien geldt als “gouden standaard” en de Staat internationaal gezien ook niet alleen staat in het door hem gekozen testbeleid en de inzet van de PCR-test heeft de Staat in redelijkheid kunnen besluiten de PCR-test in te zetten. Dat de Staat de onzekerheid die de test vanwege de kans op fout-positieve en fout-negatieve uitslagen in zich draagt voor lief neemt – waarbij de Staat overigens gemotiveerd heeft betwist dat die onzekerheid zo groot is als Viruswaarheid c.s. stellen – is te begrijpen, mede omdat gesteld noch gebleken is dat er voor het testen op aanwezigheid van het coronavirus op zo grote schaal een ander goed alternatief beschikbaar is. Zoals onder 4.6 al is opgemerkt is biedt een kort geding geen ruimte voor een wetenschappelijk debat. Het is daarom bij deze stand van zaken, mede gezien de terughoudende rol die de voorzieningenrechter past bij het toetsen van het beleid van de Staat, niet aan de voorzieningenrechter om al hetgeen Viruswaarheid c.s. aan rapportages en publicaties tegenover de stellingen van de Staat heeft gezet af te wegen tegen hetgeen de Staat gemotiveerd en onderbouwd, gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek, stelt.

4.22.
Dat de overheidscommunicatie tot nu toe feitelijk onjuist, misleidend of bovenmatig angstaanjagend is geweest is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken. Van strijd met de “Uitgangspunten overheidscommunicatie”, waar Viruswaarheid c.s. naar verwijzen, is naar voorshands oordeel evenmin sprake. Zoals de Staat terecht stelt zijn deze uitgangspunten in algemene en ruime termen geformuleerd. Viruswaarheid c.s. hebben onvoldoende geconcretiseerd waarom de overheidscommunicatie strijd met deze uitgangspunten zou opleveren. Dat Viruswaarheid c.s. de overheidscommunicatie graag anders ingericht zouden zien en daar (ook nog) andere informatie in willen zien terugkomen, betekent – mede gezien de vrijheid die de Staat toekomt bij de inrichting van de overheidscommunicatie – niet dat de overheidscommunicatie tot nu toe onrechtmatig is geweest.

4.23.
Een groot bezwaar van Viruswaarheid c.s. tegen de overheidscommunicatie is dat de Staat positieve testresultaten aanduiden als besmettingen, infecties, gevallen, zieken of patiënten. Hierover overweegt de voorzieningenrechter nog dat hem niet gebleken is dat de Staat in algemene zin over positieve testresultaten anders communiceert dan als positieve testresultaten of besmettingen. Anders dan Viruswaarheid c.s. is de voorzieningenrechter van oordeel dat het gebruik van de term besmetting niet onrechtmatig is. De PCR-test toont in beginsel de aanwezigheid van het coronavirus aan, zodat bij een positief testresultaat niet onjuist is als wordt gesproken over een besmetting met dat virus. Dat een klein percentage van de testuitslagen fout-positief is en dat niet iedereen die besmet is met het coronavirus ook besmettelijk is, maakt niet dat het onrechtmatig is om in algemene zin over besmettingen te spreken. Ook de aanduiding ‘gevallen’, die de voorzieningenrechter overigens niet is tegengekomen, is niet onrechtmatig. Zoals onder 4.9 al is overwogen wordt op de website van het RIVM, op de pagina met actuele informatie over het nieuwe coronavirus – ondanks de onder 4.21 geciteerde mededeling – in de weergave van het aantal Covid-19 meldingen per gemeenten ten onrechte gesproken over “COVID-19 patiënten”. Dat is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een onjuiste duiding, maar dat maakt de overheidscommunicatie als zodanig niet onrechtmatig en rechtvaardigt geen ingrijpen door de voorzieningenrechter.