LS&R 1865

Uitlatingen Inspectie over cardiologen niet onrechtmatig

Hof Den Haag 15 september 2020, IEF 19455, LS&R 1865; ECLI:NL:RBDHA:2018:14015 (Cardiologen tegen de Staat) Mediarecht. Onrechtmatige uitlatingen. Een drietal cardiologen vormden een maatschap in een ziekenhuis. De Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft een tuchtklacht ingediend tegen de cardiologen. De Inspectie heeft ten overstaan van het Regionaal Tuchtcollege in het bijzijn van de media het standpunt ingenomen dat de cardiologen ‘op alle fronten’ tekort zijn geschoten en dat patiënten zijn ‘blootgesteld aan het incompetente handelen van deze drie cardiologen’. Daarnaast heeft de Inspectie zich in de media negatief uitgelaten over de cardiologen. De cardiologen vorderen onder meer veroordeling van de Staat tot publicatie van een rectificatie op grond van art. 6:167 BW.

De rechtbank oordeelde dat de uitlatingen bij het Regionaal Tuchtcollege onrechtmatig zijn, maar de uitlatingen in de media niet. De cardiologen gaan in hoger beroep. De Inspectie is niet verantwoordelijk voor de wijze waarop de media over de zitting hebben bericht. Daarnaast betekent de enkele omstandigheid dat in de media op een negatieve wijze over de cardiologen wordt gesproken, niet dat deze zijn gebaseerd op onrechtmatige uitlatingen van de Inspectie. De Staat heeft zich derhalve noch in de tuchtzaken, noch in de media op onrechtmatige wijze uitgelaten. De vordering tot het doen van een rectificatie wordt afgewezen.

5.21.Ten slotte deelt het hof de visie van de Staat dat ook de omstandigheid dat bij de zitting media aanwezig waren de Inspectie niet noopte tot aanpassing van de inhoud van de pleitnota. De Inspectie is niet verantwoordelijk voor de wijze waarop de media over de zitting hebben bericht.

5.26. [cardioloog 3] voert op zijn beurt aan dat de rechtbank in rechtsoverweging 4.18 met geen woord rept over de onder 4.13.2 en 4.13.3 van het bestreden vonnis genoemde publicaties, zodat ervan moet worden uitgegaan dat deze uitlatingen onrechtmatig zijn geacht. Deze uitlatingen zijn volgens [cardioloog 3] ook onrechtmatig omdat zij op negatieve wijze worden gelinkt aan de cardiologen. Het hof stelt voorop dat [cardioloog 3] geen duidelijke grief heeft gericht tegen het in 4.18 gegeven oordeel van de rechtbank dat de uitlatingen ten overstaan van RTV Rijnmond niet onrechtmatig zijn. Met betrekking tot de overige uitlatingen wordt het volgende overwogen. Anders dan [cardioloog 3] aanneemt, heeft de rechtbank onder 4.19 wel een oordeel gegeven over de vraag of de inhoud van de berichten die in 2012 in de media zijn verschenen aan de Staat kan worden toegerekend. De rechtbank heeft deze vraag ontkennend beantwoord op grond van de overweging dat het overgrote deel van deze artikelen niet is terug te voeren op mededelingen van de Inspectie. Wat [cardioloog 3] daartegen in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel dan in eerste aanleg is gegeven. De enkele omstandigheid dat in deze berichten op een negatieve wijze over de cardiologen wordt gesproken, betekent niet dat deze zijn gebaseerd op onrechtmatige uitlatingen van de Inspectie. Dit geldt evenzeer voor de publicaties uit 2013 en 2014, waarop [cardioloog 3] in de dagvaarding heeft gedoeld. Evenmin slaagt het betoog dat de uitlatingen een onrechtmatig karakter hebben omdat de ambtenaren van de Inspectie met het doen van deze uitlatingen hun geheimhoudingsplicht zouden hebben geschonden. Het hof volgt de Staat in zijn verweer dat 1) de Inspectie in het kader van haar toezichthoudende taak verplicht is tot openbaarmaking van de opgelegde maatregelen en 2) [cardioloog 3] niet duidelijk heeft gemaakt bij welke uitlatingen en waarom sprake is van schending van de geheimhoudingsplicht.

5.31. Het hiervoor gegeven oordeel dat de uitlatingen van de Staat in de media en de zitting bij het Regionaal Tuchtcollege niet onrechtmatig zijn bepaalt ook het lot van de vordering tot het doen van een rectificatie. Deze vorderingen zullen eveneens worden afgewezen.