LS&R 28

De weergave van dit artikel is misschien niet optimaal, omdat deze is overgenomen uit onze oudere databank.

Verzoek om opschorten toelating biociden

Vzr. CBB 29 maart 2010, LJN BL9686 (International Paint (Nederland) B.V. tegen College ter beoordeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden)

Bestrijdingsmiddelenwet; Verlenging; verzoek voorlopige voorziening; opschorten o.g.v. artikel 44 lid 4 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden van het vervallen van de toelating; risico voor de volksgezondheid of de veiligheid.

Aan de orde is de vraag of de afwijzing door verweerder van het verzoek van verzoekster om met toepassing van artikel 44, vierde lid, Wgb het vervallen van de toelating van de biocide “Micron Kopervrij” op te schorten in afwachting van de beslissing op verzoeksters aanvraag tot verlenging van die toelating, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in rechte stand zal houden.

De Vzr. wijst de voorlopige voorziening af.

6.5 In aanmerking genomen de beperkte strekking van de in artikel 44, vierde lid, Wgb getroffen voorziening acht de voorzieningenrechter in zijn algemeenheid niet onredelijk dat verweerder van zijn bevoegdheid tot opschorting van het vervallen van een eerdere toelating geen gebruik maakt, indien ten tijde van belang reeds duidelijk is dat de volksgezondheid of de veiligheid van de toepasser in het geding zijn en de aanvraag voor verlenging van de toelating op die grond niet zal worden ingewilligd. Het komt de voorzieningenrechter voorshands niet als onjuist voor dat verweerder ervan uitgaat dat, gelet op de omstandigheid dat in het geval van onmiddellijke intrekking van een toelating het in geding zijn van de volksgezondheid of de veiligheid van de toepasser zo bezwaarlijk wordt geacht dat geen afleverings- en/of opgebruiktermijn kan worden vastgesteld, in het geval van de expiratie van een toelating het in geding zijn van de volksgezondheid of de veiligheid van de toepasser evenzeer - zo niet des te meer - aanleiding vormt geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid om hangende de verlengingsaanvraag het vervallen van de toelating op te schorten.

6.6 Aan de afwijzing van het verzoek het vervallen van de toelating van "Micron Kopervrij" op te schorten, ligt ten grondslag het oordeel van verweerder dat er uit arbeidstoxicologisch oogpunt bezwaar bestaat tegen toelating van dit middel voor zowel de professionele als de niet-professionele toepassing. Volgens verweerder zou verzoeksters aanvraag voor verlenging van de toelating van de biocide reeds op die grond zijn afgewezen, ware het niet dat eerst nog het effect van het gebruik van dichlofluanide als aangroeiwerende verf op de mogelijke vorming van NDMA moet worden beoordeeld.

6.7 De voorzieningenrechter constateert dat verzoekster weliswaar stelt dat zij zich niet met het bestreden besluit kan verenigen, maar dat zij het oordeel van verweerder dat de gezondheidsrisico’s voor zowel de professionele als de niet-professionele toepasser bij het gebruik van “Micron Kopervrij” zodanig zijn dat zij aan toelating van dit biocide in de weg staan, niet of slechts op ondergeschikte punten heeft bestreden. Ter zitting van de voorzieningenrechter heeft verzoekster bevestigd dat zij met betrekking tot het airless spuiten door de professionele toepasser niet betwist dat nadelige systemische gezondheidseffecten als gevolg van dermale blootstelling aan dichlofluanide niet zijn uit te sluiten, zowel bij onbeschermd als bij beschermd gebruik van het middel, en dat toelating van deze toepassing niet kan worden ondersteund. Voorts heeft verzoekster ter zitting van de voorzieningenrechter gesteld dat zij de juistheid van verweerders berekeningen van de overschrijdingen van de risico-index (verwezen zij naar de weergave daarvan in rubriek 5) niet betwist. Uit deze berekeningen volgt echter dat, ook indien rekening wordt gehouden met de door verzoekster voorgestane uitgangspunten zoals weergegeven in de in rubriek 4 geciteerde brief, er voor zowel de professionele als de niet-professionele toepasser een onaanvaardbaar gezondheidsrisico is verbonden aan het gebruik van de biocide “Micron Kopervrij” en dat persoonlijke beschermingsmiddelen bij zowel het professionele gebruik (handmatig spuiten en strijken) als het niet-professionele gebruik het risico op nadelige gezondheidseffecten niet afdoende kunnen reduceren.