LS&R 1926

Ziekenhuis hoeft identiteit zaaddonor niet prijs te geven

Rechtbank Gelderland 24 maart 2021, IT 3457, LS&R 1926, ECLI:NL:RBGEL:2021:1388 (Eiseressen tegen het ziekenhuis) Eiseressen, een moeder en een dochter, eisen van een ziekenhuis dat deze de identiteit van de biologische vader van de dochter bekendmaakt. De vader is zaaddonor. Hij had aanvankelijk gezegd dat zijn donorkinderen zijn identiteit mochten weten als zij dat wilden, maar bedacht zich later. De rechtbank oordeelt dat hij dit terecht heeft mogen doen. Ondanks dat in 2004 de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (WDKB) is ingesteld die anoniem doneren heeft verboden, mag de man zich bedenken omdat hij voor de invoering van deze wet heeft gedoneerd. Daarnaast zijn er veel kinderen met het zaad van de man verwekt. Een plotselinge bekendmaking van zijn identiteit kan grote gevolgen voor hem hebben, die niet goed gewogen kunnen worden door de rechtbank omdat de man geen partij is bij deze procedure.

4.13. [het ziekenhuis] wijst er echter anderzijds terecht erop dat K34 een op dezelfde grondrechten stoelend recht heeft dat zijn identiteit niet tegen zijn wil wordt prijsgegeven aan [de dochter]. Zeker nu [het ziekenhuis] heeft laten gebeuren dat er veel meer dan het afgesproken maximum van 25 kinderen met zaad van K34 zijn verwekt en het bekend worden van zijn identiteit dus grotere gevolgen voor hem kan hebben dan destijds door hem zijn voorzien. In abstracto valt niet uit te maken wiens recht hier prevaleert. Het komt daarbij aan op een afweging van de over en weer betrokken belangen van [de dochter] en K34, zoals besloten ligt in art. 7 IVRK en art. 8 EVRM en zoals ingevolge de WDKB ook plaatsvindt bij verzoeken van kinderen die zijn verwekt met na 1 juni 2004 gedoneerd zaad. Slechts voor zover art. 12 WDKB niet erin voorziet dat een dergelijke belangenafweging plaatsvindt, maar ertoe leidt dat [de dochter] haar recht categorisch wordt ontzegd, is het beroep van [het ziekenhuis] op art. 12 lid 3 WDKB naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Alleen in zoverre dient deze bepaling dus buiten toepassing te blijven.

4.16. De onbevredigende slotsom is dat niet kan worden beoordeeld of de belangen van [de dochter] prevaleren boven die van K34 en dat dus niet kan worden vastgesteld dat het beroep van [het ziekenhuis] op overmacht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De rechtbank kan de belangen van K34 evenmin, als onvoldoende gemotiveerd toegelicht, ondergeschikt achten aan de belangen van [de dochter] en het beroep op overmacht op die grond onaanvaardbaar achten. De reden dat de belangen van K34 niet voldoende uit de verf zijn gekomen is immers juist gelegen in de ‒ mogelijk rechtens te respecteren en niet aan [het ziekenhuis] toe te rekenen ‒ anonimiteit van K34; de kern van deze procedure. Hier is de grens bereikt van wat de rechter kan beslissen en is de wetgever aan zet. De gevorderde verstrekking van gegevens door [het ziekenhuis] is daarom niet toewijsbaar.