Gepubliceerd op maandag 3 augustus 2026
LS&R 2426
Rechtbank Den Haag ||
16 jul 2026,
Rechtbank Den Haag 16 jul 2026,, LS&R 2426; ECLI:NL:RBDHA:2026:19626 (Cardio Research c.s. tegen RdG), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/ziekenhuis-mocht-samenwerking-met-onderzoeksvennootschap-beeindigen-vanwege-centraal-financieringsbeleid

Ziekenhuis mocht samenwerking met onderzoeksvennootschap beëindigen vanwege centraal financieringsbeleid

Rb. Den Haag 16 juli 2026, LS&R 2426; ECLI:NL:RBDHA:2026:19626 (Cardio Research c.s. tegen RdG). Cardio Research Delft B.V., opgericht door cardiologen van het Reinier de Graaf Gasthuis, verrichtte met gebruikmaking van personeel, onderzoeksruimten en andere faciliteiten van het ziekenhuis cardiovasculair geneesmiddelenonderzoek. De onderzoeksvergoedingen werden via de Werkgroep Cardiologische centra Nederland rechtstreeks aan Cardio Research betaald. Naar aanleiding van zorgen over de transparantie van financiële relaties tussen zorgprofessionals en de farmaceutische en medische-hulpmiddelenindustrie stelde het ziekenhuis in 2025 een Beleidslijn Wetenschap vast. Daarin is bepaald dat het ziekenhuis voortaan als centrale kassier voor al het wetenschappelijk onderzoek optreedt, zodat het volledig zicht houdt op inkomsten, uitgaven en verplichtingen en mogelijke oneigenlijke financiële prikkels kan beperken. De bestaande financieringswijze van Cardio Research paste niet binnen deze beleidslijn. Nadat partijen geen overeenstemming bereikten over de overgang naar de nieuwe werkwijze, zegde het ziekenhuis op 3 april 2026 de door Cardio Research gestelde duurovereenkomst op. Cardio Research en twee cardiologen vorderden primair voortzetting van de samenwerking gedurende 24 maanden en overleg over de transitie onder begeleiding van een procesbegeleider of mediator. Subsidiair verlangden zij uitvoering van hun voorstel van 8 april 2026.

De voorzieningenrechter laat in het midden of de samenwerking als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd kwalificeert. Ook wanneer daarvan wordt uitgegaan, acht de rechter aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat het ziekenhuis een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging had. Tegen de achtergrond van onder meer de Wkkgz, de Geneesmiddelenwet en de WMO draagt het ziekenhuis een belangrijke verantwoordelijkheid voor het medisch-wetenschappelijk onderzoek dat binnen zijn instelling wordt uitgevoerd. Het ziekenhuis mocht daarom kiezen voor centrale financiering en administratie om volledig zicht te houden op de geldstromen en het risico van financiële beïnvloeding te beperken. Dat Cardio Research transparant opereerde, dat geen concrete misstanden waren vastgesteld en dat de oude werkwijze niet in strijd was met wet- en regelgeving, maakt deze beleidskeuze niet ongerechtvaardigd. Een nadere opzegtermijn was niet vereist, omdat geen sprake was van een onmiddellijke beëindiging: de lopende onderzoeken mochten volgens de bestaande werkwijze worden voortgezet en afgerond, terwijl ook onderzoeken waarvoor al een Clinical Trial Agreement was ondertekend in beginsel nog door Cardio Research konden worden uitgevoerd. De redelijkheid en billijkheid verplichtten het ziekenhuis niet om Cardio Research daarnaast nog nieuwe onderzoeken volgens de oude financieringswijze te laten starten. Of het ziekenhuis vanwege de beëindiging een schadevergoeding verschuldigd is, bleef uitdrukkelijk buiten beoordeling, omdat die vraag niet was voorgelegd. Alle vorderingen werden afgewezen en Cardio Research c.s. werden veroordeeld tot betaling van € 2.101 aan proceskosten.

Inhoudelijke beoordeling

4.2.

Het gaat in deze zaak om de vraag of RdG vanwege de invoering van de Beleidslijn de samenwerking met Cardio Research mocht beëindigen. Cardio Research c.s. menen dat RdG dit niet mocht, althans niet zonder daarbij een opzegtermijn in acht nemen (en een schadevergoeding te betalen). Zij stelt dat de samenwerking tussen Cardio Research en RdG kwalificeert als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd. RdG betwist dit. Volgens haar is sprake van opeenvolgende losse overeenkomsten van opdracht, die steeds tot stand zijn gekomen na het doorlopen van het interne beoordelingsproces en nadat daarvoor door de Raad van Bestuur goedkeuring is verleend.

4.3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan in het kader van dit kort geding in het midden blijven of sprake is van een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd, omdat ook als ervan uit wordt gegaan dat de samenwerkingsrelatie tussen Cardio Research en RdG moet worden gezien als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd de vorderingen van Cardio Research c.s. niet toewijsbaar zijn. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.4.

Het is vaste rechtspraak dat duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd in beginsel opzegbaar zijn, maar dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en de inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is als daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Ook kunnen die eisen meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding.2