4 aug 2026,
Kopieer citeerwijze ||
eisers tegen Gedeputeerde Staten van de Provincie Drenthe
Afwijzing handhavingsverzoek tegen lelieteelt onvoldoende gemotiveerd
Rb. Noord-Nederland 4 augustus 2026, LS&R 2445; ECLI:NL:RBNNE:2026:3255 (eisers tegen Gedeputeerde Staten van de Provincie Drenthe). Twaalf eisers verzochten Gedeputeerde Staten van Drenthe om handhavend op te treden tegen lelieteelt en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op percelen nabij het Natura 2000-gebied Drents-Friese Wold & Leggelderveld. Volgens hen was sprake van een project dat significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied kon hebben en waarvoor op grond van artikel 2.7 lid 2 Wnb een vergunning nodig was. Voor eisers 1 tot en met 11 staat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Awb eraan in de weg dat hun beroepsgronden tot vernietiging van het besluit kunnen leiden. Hun woon-, leef- en bedrijfseconomische belangen zijn volgens de rechtbank onvoldoende verweven met de natuurbelangen die de Wnb beschermt. Voor eiseres 12, een stichting die blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden opkomt voor natuurbelangen, geldt dat niet.
Ten aanzien van eiseres 12 oordeelt de rechtbank dat het college de afwijzing van het handhavingsverzoek onvoldoende heeft gemotiveerd. Het college had twee oorspronkelijke dragende argumenten inmiddels verlaten: het stelde niet langer dat significante gevolgen vanwege de afstand van meer dan 250 meter konden worden uitgesloten en evenmin dat intern salderen aan een vergunningplicht in de weg stond. De rechtbank kwalificeert de lelieteelt in deze zaak als een project en acht onvoldoende onderbouwd dat sprake is van één en hetzelfde reeds bestaande agrarische project waarvoor geen nieuwe toestemmingsprocedure nodig is. Daarbij spelen onder meer de wisselteelt, het gebruik van verschillende gewasbeschermingsmiddelen en hoeveelheden en wijzigingen in de toepasselijke regelgeving een rol. Het besluit is daarom in strijd met artikel 7:12 Awb. De rechtbank verklaart het beroep van eiseres 12 gegrond, vernietigt het besluit van 17 oktober 2023 en draagt het college op een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank stelt dus niet zelf vast dat daadwerkelijk sprake is van een overtreding of dat de lelieteelt moet worden verboden.
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eisers om handhavend op te treden tegen lelieteelt op een aantal percelen bij [straat] te […] . Met het bestreden besluit van 17 oktober 2023 op het bezwaar van eisers is het college bij deze afwijzing gebleven. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het relativiteitsvereiste eraan in de weg staat dat de beroepsgronden van eisers 1 tot en met 11 kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De beroepsgronden die door deze eisers naar voren zijn gebracht behoeven daarom geen verdere bespreking. Ten aanzien van eiseres 12 oordeelt de rechtbank dat het college de afwijzing van het verzoek om handhaving niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Eiseres 12 krijgt daarom gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.