Gewasbeschermingsmiddelen  

LS&R 2346

Feitelijk leidinggeven aan onjuist gebruik van gewasbeschermingsmiddel en verboden voorraad: veroordeling bestuurder orchideeënbedrijven

Rechtbank Amsterdam 6 nov 2025, LS&R 2346; ECLI:NL:RBAMS:2025:10924 (het Openbaar Ministerie tegen [verdachte]), https://www.lsenr.nl/artikelen/feitelijk-leidinggeven-aan-onjuist-gebruik-van-gewasbeschermingsmiddel-en-verboden-voorraad-veroordeling-bestuurder-orchideeenbedrijven

Rb. Amsterdam 6 november 2025, LS&R 2346; ECLI:NL:RBAMS:2025:10924 (het Openbaar Ministerie tegen [verdachte]). De Rechtbank Amsterdam veroordeelt een bestuurder wegens het feitelijk leidinggeven aan overtredingen van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Twee aan hem gelieerde orchideeënbedrijven gebruikten in de periode 2020–2022 het gewasbeschermingsmiddel Vydate 10G in strijd met de gebruiksvoorschriften van Verordening (EG) nr. 1107/2009. In plaats van toepassing via potgrondbehandeling vóór het oppotten, werd Vydate gemengd met bulgur en na het oppotten over de planten gestrooid. De rechtbank oordeelt dat de tenlastelegging voldoende feitelijk was uitgewerkt en verwerpt het verweer dat verdere verfeitelijking bij economische delicten vereist zou zijn. Ook het verweer dat geen sprake was van opzet wordt verworpen: binnen de ondernemingen was bekend dat niet volgens het etiket werd gewerkt. Daarnaast stond vast dat een derde vennootschap verboden gewasbeschermingsmiddelen (Input 460 EC en Match 12821N) in voorraad had. De rechtbank acht beide feiten bewezen, met uitzondering van een onderdeel van de tenlastelegging (toevoegen aan de bark).

LS&R 2341

Minister moet inzage afdwingen in gebruik gewasbeschermingsmiddelen

Rechtbank Noord-Nederland 12 jan 2026, LS&R 2341; ECLI:NL:RBNNE:2026:129 (eisers tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), https://www.lsenr.nl/artikelen/minister-moet-inzage-afdwingen-in-gebruik-gewasbeschermingsmiddelen

Rb. Noord-Nederland 12 januari 2026, LS&R 2341; ECLI:NL:RBNNE:2026:129 (eisers tegen de minister). De Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ten onrechte heeft geweigerd om informatie te verstrekken uit het register van een professionele gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen. Omwonenden hadden op grond van artikel 67 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 verzocht om inzage in gegevens over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (zoals middel, tijdstip, dosis, perceel en gewas) in de jaren 2019–2021. De minister wees dit verzoek af met een beroep op de Wet open overheid (Woo), omdat de informatie niet bij de overheid berustte en daar ook niet had behoren te berusten. De rechtbank volgt dit niet. Zij stelt vast dat artikel 67 van de Verordening de minister aanwijst als bevoegde autoriteit en een zelfstandige, rechtstreeks toepasselijke grondslag bevat om professionele gebruikers te verzoeken relevante registerinformatie beschikbaar te stellen wanneer derden daarom vragen. De Woo biedt hiervoor geen toereikend kader, omdat zij het inzagerecht uit de Verordening feitelijk illusoir maakt.

LS&R 2330

Geen overmacht bij vanggewas en spuitzone; GLB-korting verlaagd naar 23%

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 14 okt 2025, LS&R 2330; ECLI:NL:CBB:2025:557 (de vennootschap tegen de minister LVVN), https://www.lsenr.nl/artikelen/geen-overmacht-bij-vanggewas-en-spuitzone-glb-korting-verlaagd-naar-23

CBB 14 oktober 2025, LS&R 2330; ECLI:NL:CBB:2025:557 (de vennootschap tegen de minister LVVN). De vennootschap exploiteert een akkerbouwbedrijf en ontving in 2021 uit het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB) subsidies. De minister had een randvoorwaardenkorting van 33% opgelegd wegens twee overtredingen: (1) Geen vanggewas gezaaid na maisteelt op zandgrond (30% korting); (2) Onjuist gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in een spuitvrije zone (3% korting). De vennootschap voerde aan dat sprake was van overmacht (o.a. extreem nat weer, onderzaai die slecht was aangeslagen, windvlaag bij bespuiting).  

LS&R 2323

CBB: opzet toerekenbaar bij spuitfout loonbedrijf

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 14 okt 2025, LS&R 2323; ECLI:NL:CBB:2025:556 ([naam 1] tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), https://www.lsenr.nl/artikelen/cbb-opzet-toerekenbaar-bij-spuitfout-loonbedrijf

CBB 14 oktober 2025, LS&R 2323; ECLI:NL:CBB:2025:556 ([naam 1] tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven behandelt het beroep van een landbouwmaatschap tegen een door de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur opgelegde GLB-randvoorwaardenkorting van 30% over alle in 2022 aangevraagde subsidies. Aanleiding was dat een ingehuurd loonbedrijf op 28 april 2022 Cirran en Tapir heeft gespoten; bij controle op 3 mei 2022 constateerde het waterschap over circa 518 meter “vergroeiingsverschijnselen” op taluds, vastgelegd in een rapport van 18 januari 2023 met foto’s en verklaringen van de loonwerker (die aangaf dat tijdens het werk plotseling stevige wind opstak). Het College acht de bevindingen van de toezichthouder betrouwbaar, ook al is het rapport niet op ambtseed opgemaakt, en stelt vast dat artikel 55 van Verordening 1107/2009 is geschonden (juist gebruik volgens etiket/goed landbouwkundige praktijk), wat binnen de randvoorwaarden van Verordening 1306/2013 tot korting leidt. Omdat de maatschap geen specifieke instructies gaf en geen toezicht hield, is (voorwaardelijk) opzet aan de begunstigde toe te rekenen op basis van HvJ EU Van der Ham (C-396/12).

LS&R 2211

Verwerping van het beroep tegen de niet-verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof chloorpyrifos-methyl

Hof van Justitie EU 4 okt 2023, LS&R 2211; T-77/20 https://www.lsenr.nl/artikelen/verwerping-van-het-beroep-tegen-de-niet-verlenging-van-de-goedkeuring-van-de-werkzame-stof-chloorpyrifos-methyl

HvJ 8 oktober 2023, LS&R 2211; T-77/20 (Ascenza Agro and Industrias Afrasa tegen Commissie). Twee fabrikanten van gewasbeschermingsmiddelen, de ondernemingen Ascenza Agro en Industrias Afrasa, zijn voor het Gerecht van de Europese Unie opgekomen tegen de niet-verlenging door de Commissie van de goedkeuring van de werkzame stof chloorpyrifos-methyl ("CHP-methyl"). CHP-methyl" is een werkzame stof die wordt gebruikt in gewasbeschermingsmiddelen om ongedierte te bestrijden. In de beoordeling van de invloed van CHP-methyl voor de menselijke gezondheid was de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) van mening dat niet werd voldaan aan de EU-vereisten voor de bescherming daarvan. Uit die beoordeling blijkt met name dat het genotoxische potentieel van CHP-methyl niet kon worden uitgesloten en dat zorgen waren geuit over de neurotoxiciteit van die stof. Tijdens een vergadering van het Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en dierenvoer hebben de lidstaten vervolgens in december 2019 een positief advies uitgebracht over de niet-verlenging van de goedkeuring van CHP-methyl. Op 10 januari 2020 besloot de Commissie de goedkeuring van CHP-methyl niet te verlengen. Ascenza en Afrasa hebben hier vervolgens bij het Hof beroep tegen ingesteld. Met het arrest van vandaag verwerpt het Hof dat beroep. Deze zaak geeft het Hof de gelegenheid om zich uit te spreken over een aantal kwesties die nog niet eerder zijn behandeld in de context van gewasbeschermingsmiddelen.

LS&R 1763

Uitspraak ingezonden door Otto Swens, Vondst advocaten

HvJ EU over verlenging van vergunning voor parallelimport

Hof van Justitie EU 14 nov 2019, LS&R 1763; ECLI:EU:C:2019:968 (Vaselife en Chrysal tegen Ctgb), https://www.lsenr.nl/artikelen/hvj-eu-over-verlenging-van-vergunning-voor-parallelimport

HvJ EU 14 november 2019, IEF 18859, LS&R 1763, IEFbe 3001; ECLI:EU:C:2019:968 (Vaselife en Chrysal tegen Ctgb) Aan Vaselife is een vergunning verleend voor de parallelimport van gewasbeschermingsmiddel Vaselife UB. Het Ctgb heeft het verzoek om de aan Vaselife toegekende vergunning te verlengen, geweigerd. Vervolgens is de toelating overgeschreven op Chrysal. Chrysal heeft bezwaar ingediend tegen het besluit over de verlenging van de vergunning. Dit bezwaar van Chrysal is door het Ctgb gedeeltelijk gegrond verklaard. Tegelijkertijd heeft het Ctgb het verzoek tot verlenging van de vergunning afgewezen. Vaselife heeft hiertegen beroep ingesteld bij het CBb, zie [LS&R 1626]. Het Ctgb heeft het verzoek van Chrysal om de naam van het middel te veranderen in Chrysal BVB, ingewilligd, en de respijtperiode verruimd waardoor ook de bestaande voorraad van het middel Vaselife UB mocht worden afgeleverd en opgebruikt. Hiertegen heeft Chrysal beroep ingesteld bij het CBb. Het CBb heeft vervolgens het HvJ EU verzocht om beantwoording van enkele prejudiciële vragen.

LS&R 1629

HR: Keuze voor inzetten strafrecht in plaats van bestuurlijke sanctie niet naar de eis der wet met redenen omkleed

Hoge Raad 10 jul 2018, LS&R 1629; ECLI:NL:HR:2018:1134 (Gewasbeschermingsmiddelen), https://www.lsenr.nl/artikelen/hr-keuze-voor-inzetten-strafrecht-in-plaats-van-bestuurlijke-sanctie-niet-naar-de-eis-der-wet-met-re

HR 10 juli 2018, LS&R 1629; ECLI:NL:HR:2018:1134 en HR 10 juli 2018, LS&R 1629; ECLI:NL:HR:2018:1135 (Gewasbeschermingsmiddelen) Strafrecht. OM-Cassatie. Rechtspraak.nl: Ad. middel 1. OM-klacht berust op de opvatting dat art. 8.c WED grondslag biedt voor verhaal van de kosten van vernietiging door de overheid van de inbeslaggenomen gewasbeschermingsmiddelen, waarvan het Hof heeft vastgesteld dat die (in de zaak van medeverdachte (17/00118))- overeenkomstig de vordering van de AG bij het Hof - moeten worden o.a.h.v. Die opvatting is, mede blijkens de bewoordingen van deze bepaling, onjuist. Aan verdachte is niet een van de in art. 8 onder c WED bedoelde verplichtingen opgelegd die zij voor eigen rekening zou moeten uitvoeren. Mede gelet op art. 36a Sr was het Hof ook overigens niet bevoegd als maatregel aan verdachte op te leggen aan de Staat de kosten te vergoeden van het vernietigen van inbeslaggenomen goederen die moeten worden o.a.h.v.

Ad. middel 2. Namens verdachte is ttz. in h.b. het verweer gevoerd strekkende tot n-o van het OM in de vervolging. Daarop diende het Hof ex art. 358.3 en art. 359.2, eerste volzin, Sv een gemotiveerde beslissing te geven. Het oordeel van het Hof dat in i.c. in redelijkheid voor de strafrechtelijke vervolging van verdachte kon worden gekozen ontbeert een toereikende motivering. Tegenover het gemotiveerde standpunt "dat op grond van het geldende handhavingsbeleid, waaraan het openbaar ministerie zich ondubbelzinnig heeft gecommitteerd [...], gekozen had moeten worden voor het opleggen van een bestuurlijke boete en niet voor strafvervolging", heeft het Hof immers niet duidelijk gemaakt waarom het standpunt, dat o.g.v. de criteria genoemd in de van toepassing geachte Sanctiestrategie Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor een bestuurlijke sanctie en dus niet voor het inzetten van het strafrecht had moeten worden gekozen, niet wordt gevolgd. De bestreden beslissing is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 17/00117 en 17/00118.

LS&R 1626

Prejudicieel gestelde vragen aan HvJ EU over de verlenging van een parallelimportvergunning

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 3 jul 2018, LS&R 1626; ECLI:NL:CBB:2018:308 (Vaselife tegen Chrysal en Ctgb), https://www.lsenr.nl/artikelen/prejudicieel-gestelde-vragen-aan-hvj-eu-over-de-verlenging-van-een-parallelimportvergunning

CBb 3 juli 2017, LS&R 1626; ECLI:NL:CBB:2018:308 (Vaselife tegen Chrysal en Ctgb) Aan Vaselife verleende verguning voor parallelimport van een gewasbeschermingsmiddel Vaselife Universal Bulb PHT. Zie eerder Bob 15 mei 2017 Is het Ctgb bevoegd om de geldigheidsduur van een vergunning voor parallelhandel te wijzigen? Artikel 52 van Verordening EG nr. 1107/2009; Prejudiciële vragen:

1. Is de bevoegde autoriteit, het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb), bevoegd om nadat hij een besluit tot herregistratie van het referentiemiddel heeft genomen, de geldigheidsduur van een vergunning voor parallelhandel als bedoeld in artikel 52 van Verordening (EG) nr. 1107/2009, welke vergunning is verleend vóór het besluit tot herregistratie, al dan niet ambtshalve, te wijzigen overeenkomstig de – latere – datum van de geldigheidsduur die is verbonden aan het besluit tot herregistratie van het referentiemiddel?

2. Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord, is de wijziging van de geldigheidsduur van een vergunning voor parallelhandel een automatisch, uit Verordening (EG) nr. 1107/2009 zelf voortvloeiend gevolg van een besluit tot herregistratie van het referentiemiddel? Is bijgevolg de aantekening van de nieuwe datum van de geldigheidsduur van de parallelvergunning in de databank van de bevoegde autoriteit een louter administratieve handeling, of moet daarop ambtshalve of op aanvraag worden besloten?

3. Indien het antwoord op vraag 2 luidt dat er een besluit moet worden genomen, is artikel 52 van Verordening (EG) nr. 1107/2009, en met name het derde lid van dit artikel, hierop van toepassing?

4. Indien vraag 3 ontkennend wordt beantwoord, welke bepaling(en) is c.q. zijn dan wel toepasselijk?

5. Kan een gewasbeschermingsmiddel reeds niet als identiek worden beschouwd als bedoeld in artikel 52 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 indien het referentiemiddel, niet (langer) afkomstig is van dezelfde onderneming? Het Hof wordt verzocht bij de beantwoording van deze vraag tevens in te gaan op de vraag of onder een verbonden onderneming of een onderneming die onder licentie werkt, tevens kan worden begrepen een onderneming die het middel, met toestemming van de rechthebbende, produceert volgens hetzelfde recept. Is hierbij van belang of het productieproces volgens welke het referentiemiddel en het parallel in te voeren middel worden vervaardigd op het punt van de werkzame stoffen door dezelfde onderneming wordt uitgevoerd?

6. Is de loutere wijziging van de productielocatie van het referentiemiddel relevant voor de beoordeling van de vraag of het middel identiek is?

7. Indien vraag 5 en/of 6 bevestigend wordt beantwoord, kan aan de hieruit te trekken conclusie (“niet identiek”) afbreuk worden gedaan door het feit dat de bevoegde autoriteit reeds heeft vastgesteld dat qua samenstelling het middel geen of slechts een geringe wijziging heeft ondergaan?

8. Op wie en in hoeverre rust de last te bewijzen dat is voldaan aan artikel 52, derde lid, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 als de toelatingshouders van het parallelle middel en het referentiemiddel daarover van mening verschillen?

LS&R 1548

HvJ EU: Houder kan beroep instellen tot rectificatie van datum waarop het ABC vervalt, indien deze datum niet juist is vastgesteld

Hof van Justitie EU 20 dec 2017, LS&R 1548; C-492/16 (Incyte Corporation), https://www.lsenr.nl/artikelen/hvj-eu-houder-kan-beroep-instellen-tot-rectificatie-van-datum-waarop-het-abc-vervalt-indien-deze-dat

HvJ EU 20 december 2017, IEF 17371; IEFbe 2438; LS&R 1548; ECLI:EU:C:2017:995; C-492/16 (Incyte Corporation)  Octrooirecht. Geneesmiddelen voor menselijk gebruik. Gewasbeschermingsmiddelen. Aanvullend beschermingscertificaat. Vaststelling van de vervaldatum. Mogelijkheid of verplichting tot rectificatie van de vervaldatum. 

1)      Artikel 18 van verordening (EG) nr. 469/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende het aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen, gelezen in het licht van artikel 17, lid 2, van verordening (EG) nr. 1610/96 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 1996 betreffende de invoering van een aanvullend beschermingscertificaat voor gewasbeschermingsmiddelen, moet aldus worden uitgelegd dat de datum van de eerste vergunning voor het in de handel brengen, zoals opgegeven in een aanvraag voor een aanvullend beschermingscertificaat, op basis waarvan de tot afgifte van een dergelijk certificaat bevoegde nationale autoriteit de duur van dat certificaat heeft berekend, niet juist is in een situatie als die in het hoofdgeding, waarin de onjuiste datum heeft geleid tot een berekeningswijze van de duur van dat certificaat die niet strookt met artikel 13, lid 1, van verordening nr. 469/2009, zoals uitgelegd in een later arrest van het Hof.

LS&R 1292

Conclusie AG: Niet vereist dat er eerst een verzoek om vertrouwelijke behandeling is ingediend

Hof van Justitie EU 7 apr 2016, LS&R 1292; ECLI:EU:C:2016:215 ((Bayer CropScience en Stichting De Bijenstichting)), https://www.lsenr.nl/artikelen/conclusie-ag-niet-vereist-dat-er-eerst-een-verzoek-om-vertrouwelijke-behandeling-is-ingediend

Conclusie AG HvJ EU 7 april 2016, LS&R 1292, zaak C‑442/14; ECLI:EU:C:2016:215 (Bayer CropScience en Stichting De Bijenstichting)

[Richtlijn Milieu Informatie 2003/4/EG] – Toegang tot milieu-informatie – Uitzonderingen – Vertrouwelijke industriële en commerciële informatie – Informatie over emissies in het milieu – Vertrouwelijkheid – [Verordening Gewasbeschermingsmiddelen (EG) nr. 1107/2009] – Gewasbeschermingsmiddelen – [Biociden Richtlijn 98/8/EG] – Biociden. Zie eerder: [LS&R 1033]

Conclusie AG:

1)      Voor de vertrouwelijke behandeling van informatie die in het kader van toelatingsprocedures overeenkomstig richtlijn 91/414/EEG betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen of richtlijn 98/8/EG betreffende het op de markt brengen van biociden is verstrekt, geldt krachtens artikel 4, lid 2, van richtlijn 2003/4/EG inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie, niet de voorwaarde dat eerst een verzoek om vertrouwelijke behandeling is ingediend overeenkomstig van artikel 14 van richtlijn 91/414, artikel 19 van richtlijn 98/8 of artikel 63, lid 1, van verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen.

2)      Het begrip ‚informatie over emissies in het milieu’ in artikel 4, lid 2, tweede alinea, laatste volzin, van richtlijn 2003/4 moet aldus worden uitgelegd dat hieronder moet worden begrepen informatie over de introductie in het milieu van stoffen, organismen, micro-organismen, trillingen, warmte of geluid, met name in de lucht, het water of de grond, als gevolg van menselijke activiteiten, alsmede informatie over de gevolgen van emissies, maar niet de in artikel 63, lid 2, van verordening nr. 1107/2009 vermelde informatie.

3)      Het begrip ‚informatie over emissies in het milieu’ in de zin van artikel 4, lid 2, tweede alinea, laatste volzin, van richtlijn 2003/4 omvat met name:

–        gegevens die een inschatting geven van de uitstoot van een middel, zijn werkzame stof(fen) en andere bestanddelen in het milieu als gevolg van het gebruik van het middel, los van de vraag of die gegevens zijn verkregen door middel van (semi)veldstudies of andersoortige studies (bijvoorbeeld laboratoriumstudies en translocatiestudies);
–        informatie over laboratoriumstudies waarbij de proefopzet erop is gericht om onder gestandaardiseerde omstandigheden geïsoleerde aspecten te onderzoeken en in het kader waarvan veel factoren (bijvoorbeeld klimatologische invloeden) worden uitgesloten en de proeven vaak worden gedaan met – in vergelijking met het gebruik in de praktijk – hoge doseringen;
–        informatie over residuen na de toepassing van het middel in de proefopstelling in bijvoorbeeld de lucht of op de bodem, bladeren, pollen of nectar van een gewas (dat is voortgekomen uit behandeld zaad) in honing of op niet-doelwitorganismen;
–        informatie over de mate van (stof)drift bij de toepassing van het middel in de proefopstelling;
–        de volledige informatiebron en niet slechts de (meet)gegevens die daaruit eventueel zijn te destilleren.”

  • 1
  • 2
  • 3
  • 1 - 10 van 29