Gewasbeschermingsmiddelen  

LS&R 2444

ILT hoeft vóór marktintroductie geen oordeel te geven over markeringsplicht bekers

Rechtbank Den Haag 6 aug 2026,, LS&R 2444; ECLI:NL:RBDHA:2026:22077 (LIMM tegen de Staat), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/ilt-hoeft-voor-marktintroductie-geen-oordeel-te-geven-over-markeringsplicht-bekers

Rb. Den Haag 6 augustus 2026, LS&R 2444; ECLI:NL:RBDHA:2026:22077 (LIMM tegen de Staat). LIMM B.V. wil bekers voor eenmalig gebruik verkopen die volgens haar plasticvrij zijn en daarom niet zijn voorzien van de markering uit artikel 15e Besluit beheer verpakkingen (Bbv). Zij vroeg de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) vooraf duidelijkheid over de vraag of de in de bekers gebruikte lijm en inkt maken dat de bekers toch onder deze markeringsplicht vallen. De ILT liet weten geen rol te hebben bij het vooraf testen van producten op de aanwezigheid van plastic en pas na het daadwerkelijk op de markt brengen te kunnen beoordelen of de bekers terecht zonder markering worden verkocht. LIMM diende daarop een handhavingsverzoek in, maar dat werd afgewezen omdat de bekers nog niet op de markt waren aangeboden. Ook een verzoek om voorlopige voorziening bij de bestuursrechter werd afgewezen. In dit civiele kort geding vordert LIMM vervolgens dat de ILT schriftelijk en gemotiveerd kenbaar maakt of de bekers onder artikel 15e Bbv vallen. De voorzieningenrechter acht LIMM ontvankelijk en neemt spoedeisend belang aan. De civiele procedure betreft namelijk een andere rechtsvraag dan de bestuursrechtelijke procedure: niet of de staatssecretaris moest handhaven, maar of de ILT verplicht is vóór het op de markt brengen van de bekers een inhoudelijk standpunt over de markeringsplicht te geven.

LS&R 2445

Afwijzing handhavingsverzoek tegen lelieteelt onvoldoende gemotiveerd

Rechtbank Noord-Nederland 4 aug 2026,, LS&R 2445; ECLI:NL:RBNNE:2026:3255 (eisers tegen Gedeputeerde Staten van de Provincie Drenthe), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/afwijzing-handhavingsverzoek-tegen-lelieteelt-onvoldoende-gemotiveerd

Rb. Noord-Nederland 4 augustus 2026, LS&R 2445; ECLI:NL:RBNNE:2026:3255 (eisers tegen Gedeputeerde Staten van de Provincie Drenthe). Twaalf eisers verzochten Gedeputeerde Staten van Drenthe om handhavend op te treden tegen lelieteelt en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op percelen nabij het Natura 2000-gebied Drents-Friese Wold & Leggelderveld. Volgens hen was sprake van een project dat significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied kon hebben en waarvoor op grond van artikel 2.7 lid 2 Wnb een vergunning nodig was. Voor eisers 1 tot en met 11 staat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Awb eraan in de weg dat hun beroepsgronden tot vernietiging van het besluit kunnen leiden. Hun woon-, leef- en bedrijfseconomische belangen zijn volgens de rechtbank onvoldoende verweven met de natuurbelangen die de Wnb beschermt. Voor eiseres 12, een stichting die blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden opkomt voor natuurbelangen, geldt dat niet.

LS&R 2443

Gewasbeschermingsmiddel Pitcher had niet mogen worden toegelaten

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 11 aug 2026,, LS&R 2443; ECLI:NL:CBB:2026:370 (PAN tegen Ctgb en Adama Registrations B.V.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gewasbeschermingsmiddel-pitcher-had-niet-mogen-worden-toegelaten

CBb 11 augustus 2026, LS&R 2443; ECLI:NL:CBB:2026:370 (PAN tegen Ctgb en Adama Registrations B.V.). Pesticide Action Network Europe (PAN) komt op tegen de toelating van het gewasbeschermingsmiddel Pitcher van Adama Registrations B.V., een schimmelbestrijder voor professioneel gebruik met de werkzame stoffen fludioxonil en folpet. Na eerdere procedures en prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie moest het Ctgb opnieuw op het bezwaar van PAN beslissen. Het Ctgb erkende daarbij dat fludioxonil hormoonontregelende eigenschappen voor de mens heeft, maar meende dat Pitcher toch kon worden toegelaten omdat die eigenschappen bij gebruik volgens de voorschriften niet tot schadelijke effecten voor de menselijke gezondheid zouden leiden. Het College volgt dat oordeel niet. Het Ctgb moest zelfstandig toetsen aan punt 3.6.5 van bijlage II bij Verordening (EG) 1107/2009. Nu fludioxonil hormoonontregelende eigenschappen heeft die schadelijk kunnen zijn voor de mens, is toelating alleen mogelijk bij verwaarloosbare blootstelling. Daarvan is bij Pitcher geen sprake, omdat het middel niet wordt gebruikt in gesloten systemen of onder andere omstandigheden die contact met mensen uitsluiten. Pitcher voldoet daarom niet aan de toelatingseis van artikel 4 lid 3 onder b van de gewasbeschermingsverordening.

LS&R 2442

Ctgb mocht toelating van gewasbeschermingsmiddel Dagonis handhaven

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 11 aug 2026,, LS&R 2442; ECLI:NL:CBB:2026:367 (PAN tegen Ctgb en BASF Agricultural Solutions Netherlands B.V.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/ctgb-mocht-toelating-van-gewasbeschermingsmiddel-dagonis-handhaven

CBb 11 augustus 2026, LS&R 2442; ECLI:NL:CBB:2026:367 (PAN tegen Ctgb en BASF Agricultural Solutions Netherlands B.V.). Pesticide Action Network Europe (PAN) komt op tegen de toelating van het gewasbeschermingsmiddel Dagonis van BASF, een fungicide dat de werkzame stoffen difenoconazool en fluxapyroxad bevat. Het Ctgb had Dagonis in 2019 toegelaten. Na eerdere procedures stelde het College prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie, waarna het College in januari 2025 de eerdere beslissing op bezwaar vernietigde omdat het Ctgb de door PAN ingebrachte wetenschappelijke studies over mogelijke hormoonontregelende eigenschappen van difenoconazool niet had beoordeeld. Het Ctgb nam vervolgens een nieuwe beslissing op bezwaar en handhaafde de toelating. In de onderhavige procedure oordeelt het College dat het resterende geschil beperkt is tot de vraag of de werkzame stoffen in Dagonis hormoonontregelende eigenschappen hebben die schadelijk kunnen zijn voor de mens. PAN kan de procedure daarom niet alsnog uitbreiden naar andere schadelijke effecten of naar hormoonontregelende effecten voor dieren, omdat die gronden in de eerdere bezwaar- en beroepsprocedure niet waren aangevoerd.

LS&R 2441

Bijzondere zorgplicht bij gebruik gewasbeschermingsmiddelen nabij omwonenden

Rechtbank Oost-Brabant 8 jul 2026,, LS&R 2441; ECLI:NL:RBOBR:2026:5283 ([eisers] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/bijzondere-zorgplicht-bij-gebruik-gewasbeschermingsmiddelen-nabij-omwonenden

Rb. Oost-Brabant 8 juli 2026, LS&R 2441; ECLI:NL:RBOBR:2026:5283 ([eisers] tegen [gedaagde]). Omwonenden van een landbouwperceel waarop in 2024 lelies werden geteeld, verzetten zich tegen het gebruik van verschillende gewasbeschermingsmiddelen. Zij vorderen onder meer een verklaring voor recht dat de eigenaar van het perceel onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld en aansprakelijk is voor hun schade, primair de vestiging van een erfdienstbaarheid waardoor gedurende twintig jaar bepaalde middelen of werkzame stoffen niet mogen worden gebruikt en subsidiair een overeenkomstig verbod. De rechtbank acht zich als burgerlijke restrechter bevoegd, omdat de bestuursrechtelijke route voor deze omwonenden geen rechtsbescherming biedt waarmee zij het gebruik van toegelaten gewasbeschermingsmiddelen in hun nabijheid kunnen laten verbieden. Het voorzorgsbeginsel van artikel 1 lid 4 Verordening (EG) 1107/2009 kan volgens de rechtbank niet als zelfstandige grondslag dienen voor de civielrechtelijke vorderingen tussen particulieren. Het beginsel kan wel als relevante omstandigheid worden betrokken bij de beoordeling of sprake is van strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid van artikel 6:162 BW. De rechtbank beoordeelt de zaak daarom aan de hand van gevaarzetting en de schadevoorkomingsplicht en acht, mede op basis van RIVM-onderzoek, voldoende plausibel dat blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen gezondheidsrisico’s kan meebrengen. Daarbij wijst zij specifiek op onzekerheden en hiaten in de beoordeling van neurodegeneratieve effecten en van blootstelling aan combinaties van verschillende middelen.

LS&R 2427

Ctgb mocht toelating SmartFresh InBox en verlenging EthylBloc Sachet weigeren wegens toepassingsbeperking voor 1-MCP

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 7 jul 2026,, LS&R 2427; ECLI:NL:CBB:2026:312 (AgroFresh tegen Ctgb), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/ctgb-mocht-toelating-smartfresh-inbox-en-verlenging-ethylbloc-sachet-weigeren-wegens-toepassingsbeperking-voor-1-mcp

CBb 7 juli 2026, LS&R 2427; ECLI:NL:CBB:2026:312 (AgroFresh tegen Ctgb). AgroFresh vroeg het Ctgb om een eerste toelating voor SmartFresh InBox en om verlenging van de toelating van EthylBloc Sachet. De middelen zijn identiek, bevatten de werkzame stof 1-methylcyclopropeen (1-MCP) en zijn verpakt in zakjes die samen met fruit of siergewassen in transportdozen worden geplaatst voor behandeling na de oogst. Het Ctgb wees de aanvragen aanvankelijk af omdat onvoldoende gegevens beschikbaar waren over de dermale blootstelling van werknemers en over inhalatietoxiciteit. Bij het besluit op bezwaar stelde het Ctgb zich op het standpunt dat de aanvragen alleen al vanwege de onvoldoende informatie over dermale blootstelling terecht waren afgewezen. Ten tijde van dat besluit bepaalde Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1085 echter ook dat uitsluitend het gebruik van 1-MCP als groeiregulator voor opslag na de oogst in een afgesloten entrepot mocht worden toegestaan. Uitvoeringsverordening (EU) 2025/881, waarbij deze beperking later werd opgeheven, trad pas na het bestreden besluit van 24 januari 2024 in werking en kon daarom niet aan de beoordeling van de rechtmatigheid van dat besluit ten grondslag worden gelegd.

LS&R 2422

CBb laat toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen met cypermethrin, abamectine en esfenvaleraat in stand

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 7 jul 2026,, LS&R 2422; ECLI:NL:CBB:2026:315 (De milieuorganisaties tegen het Ctgb en de Staat), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/cbb-laat-toelatingen-van-gewasbeschermingsmiddelen-met-cypermethrin-abamectine-en-esfenvaleraat-in-stand

CBb 7 juli 2026, LS&R 2422; ECLI:NL:CBB:2026:315 (De milieuorganisaties tegen het Ctgb en de Staat). In deze zaak tussen PAN Netherlands en de Natuur- en Milieufederatie Zuid-Holland enerzijds en het Ctgb anderzijds staat de vraag centraal of toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen met cypermethrin, abamectine en esfenvaleraat moesten worden ingetrokken. De milieuorganisaties wezen op overschrijdingen van toelatingsnormen voor waterorganismen en normen uit de Kaderrichtlijn Water in Nederlandse oppervlaktewateren.

LS&R 2405

CBb: intrekking azolenprotocol is geen besluit in de zin van de Awb

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 30 jun 2026,, LS&R 2405; ECLI:NL:CBB:2026:200 (vereniging tegen Ctgb), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/cbb-intrekking-azolenprotocol-is-geen-besluit-in-de-zin-van-de-awb

CBb 6 mei 2026, LS&R 2405; ECLI:NL:CBB:2026:200 (vereniging tegen Ctgb). In deze zaak tussen Vereniging [naam] en het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) staat de vraag centraal of het besluit van het Ctgb om het zogenoemde azolenprotocol in te trekken een besluit is in de zin van artikel Artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht waartegen bezwaar en beroep openstaan. Het College oordeelt dat dit niet het geval is, omdat de intrekking van het protocol zelf geen rechtsgevolg heeft. Het Ctgb had in 2021 het azolenprotocol verbonden aan de wettelijke gebruiksvoorschriften van gewasbeschermingsmiddelen op basis van azolen voor de bloembollen- en bloemknollenteelt. Het protocol bevatte voorschriften voor de opslag en verwerking van organisch restmateriaal om te voorkomen dat de schimmel Aspergillus fumigatus resistent zou worden tegen azolen. De naleving van het protocol was een voorwaarde voor het gebruik van de betrokken gewasbeschermingsmiddelen. In 2023 trok het Ctgb het protocol in, omdat uit onderzoek was gebleken dat het onvoldoende bijdroeg aan het voorkomen of beperken van azolenresistentie, een wereldwijd probleem waarvoor een bredere aanpak noodzakelijk is. Daarbij speelde voor het Ctgb mede dat de voorschriften uit het protocol in de praktijk onvoldoende handhaafbaar bleken. Tegelijkertijd wijzigde het Ctgb de wettelijke gebruiksvoorschriften van de betrokken gewasbeschermingsmiddelen door de verwijzing naar het protocol te verwijderen. De vereniging maakte bezwaar tegen de intrekking van het azolenprotocol. Volgens haar is het protocol een concretiserend besluit van algemene strekking (CBAS), omdat het de zorgplicht voor de verwerking van organisch restmateriaal nader invult. Daarnaast voert zij aan dat het intrekken van het protocol aanzienlijke gevolgen heeft voor milieu en volksgezondheid en daarom onder meer in het licht van het Verdrag van Aarhus niet zonder uitgebreide voorbereidingsprocedure had mogen plaatsvinden. Ook verzoekt zij het College prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie over de kwalificatie van het protocol als CBAS.

LS&R 2403

CBb: verlenging toelating Gazelle toegestaan ondanks nog niet uitgevoerde TRT‑beoordeling bij bijen

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 29 jun 2026,, LS&R 2403; ECLI:NL:CBB:2026:248 ((De Bijenstichting tegen het Ctgb)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/cbb-verlenging-toelating-gazelle-toegestaan-ondanks-nog-niet-uitgevoerde-trt-beoordeling-bij-bijen

CBb 4 juni 2026, LS&R 2403; ECLI:NL:CBB: 2026:248 (De Bijenstichting tegen het Ctgb). In deze zaak tussen De Bijenstichting en het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) staat de vraag centraal of het Ctgb de toelating van het gewasbeschermingsmiddel Gazelle mocht verlengen zonder een afzonderlijke beoordeling uit te voeren van de zogenoemde time-reinforced toxicity (TRT) voor bijen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om schorsing van het verlengingsbesluit af, omdat het Ctgb op dit moment voldoende heeft gemotiveerd waarom een TRT-beoordeling nog niet kon worden uitgevoerd. Daarbij benadrukt de voorzieningenrechter dat de voorlopige‑voorzieningenprocedure zich naar haar aard niet leent voor een integrale beoordeling van de rechtmatigheid van de inhoudelijk complexe toelatingsbesluiten en dat slechts wordt ingegrepen indien, zonder diepgaand onderzoek, ernstig moet worden betwijfeld dat het besluit in bezwaar in stand zal blijven. De Bijenstichting maakte bezwaar tegen de verlenging van de toelating van Gazelle, een gewasbeschermingsmiddel met als werkzame stof acetamiprid, en tegen enkele procedurele verlengingen van daaraan gekoppelde parallelle handelsvergunningen. Volgens De Bijenstichting had het Ctgb de toelating niet mogen verlengen, omdat uit recente wetenschappelijke inzichten volgt dat acetamiprid bij bijen kan leiden tot time-reinforced toxicity: een schadelijk effect dat toeneemt naarmate de blootstelling langer duurt. De European Food Safety Authority (EFSA) heeft hiervoor in 2023 een nieuw richtsnoer opgesteld, waarin een TRT-beoordeling is opgenomen en waarvoor een rekentool beschikbaar is gesteld. Nu het Ctgb deze beoordeling niet had uitgevoerd, zou volgens De Bijenstichting niet zijn voldaan aan de eisen van Verordening (EG) nr. 1107/2009 (de Gewasbeschermingsverordening), in het bijzonder de artikelen 4, 29 en 43. Daarbij wees zij op rechtspraak van het Hof van Justitie waaruit volgt dat nationale autoriteiten hun beoordeling moeten baseren op de meest actuele en betrouwbare wetenschappelijke en technische kennis. Het Ctgb voerde aan dat bij de beoordeling van de verlenging wel degelijk gebruik is gemaakt van de meest actuele wetenschappelijke kennis voor zover deze op dit moment betrouwbaar kan worden toegepast. De chronische toxiciteit voor bijen is beoordeeld aan de hand van de bestaande Europese richtsnoeren uit 2002 en – voor zover mogelijk – 2013. Het nieuwe EFSA-richtsnoer uit 2023 is echter nog niet geïmplementeerd en de daarbij ontwikkelde TRT-rekentool bevindt zich nog in een bètaversie. Volgens het Ctgb kan op basis van deze onvoltooide rekentool nog geen betrouwbare risicobeoordeling worden uitgevoerd.

LS&R 2398

GLB-ecoregeling: minister mag teledetectie gebruiken bij controle groene braak, beroep landbouwer ongegrond

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 7 okt 2025,, LS&R 2398; ECLI:NL:CBB:2025:543 (([naam] tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/glb-ecoregeling-minister-mag-teledetectie-gebruiken-bij-controle-groene-braak-beroep-landbouwer-ongegrond

CBB 7 oktober 2025, LS&R 2398; ECLI:NL:CBB:2025:543 ([naam] tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft geoordeeld dat de minister bij de controle van percelen in het kader van de eco-regeling van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) gebruik mag maken van verschillende soorten beeldmateriaal, waaronder luchtfoto's, satellietbeelden en teledetectiebeelden. Als een landbouwer van mening is dat dit beeldmateriaal voor meerdere uitleg vatbaar is, ligt het op zijn weg aannemelijk te maken dat zijn interpretatie juist is. In deze zaak slaagde de landbouwer daar niet in, zodat de minister terecht geen punten had toegekend voor de eco-activiteit "groene braak, spontane opkomst" op één van zijn percelen. Met zijn Gecombineerde opgave over 2023 had de landbouwer aanspraak gemaakt op de eco-regeling op het niveau van het goudtarief van € 200 per hectare. De minister kende echter slechts het zilvertarief van € 100 per hectare toe. Aanleiding daarvoor was dat voor perceel 11, met een oppervlakte van 0,7823 hectare, geen punten werden toegekend voor de opgegeven eco-activiteit "groene braak, spontane opkomst" (gewascode 6794). Volgens de minister voldeed het perceel niet aan de voorwaarde dat het in de periode van 31 mei tot en met 31 augustus voor minimaal 80% uit het aangegeven gewas moest bestaan. Deze eis volgt uit de nationale invulling van de eco‑regeling in de Uitvoeringsregeling GLB 2023, waarin voor de eco‑activiteit ‘groene braak’ is voorgeschreven dat in die periode de oppervlakte voor minimaal 80% met het opgegeven gewas bedekt moet zijn. De landbouwer stelde zich op het standpunt dat wel degelijk aan deze voorwaarde was voldaan. Volgens hem was perceel 11 vergelijkbaar met het naastgelegen perceel 160, waarvoor de eco-activiteit wel was goedgekeurd. Dat op satellietbeelden in juli 2023 een bruine verkleuring zichtbaar was, kwam volgens hem doordat het gewas als gevolg van droogte aan de bovenzijde was verdord. Dat betekende niet dat het gewas was verdwenen. Verder voerde hij aan dat de minister pas in bezwaar het gebruikte beeldmateriaal had overgelegd en uitsluitend op teledetectiebeelden was afgegaan. De minister bracht daartegen in dat de regeling vereist dat gedurende de gehele periode van 31 mei tot en met 31 augustus sprake is van minimaal 80% bedekking met een levend gewas. Daarbij maakte de minister gebruik van verschillende soorten beeldmateriaal, waaronder luchtfoto's, satellietbeelden en zogenoemde "near infrared"-beelden voor teledetectie. Op deze laatste beelden wijst een rode kleur op aanwezigheid van bladgroen, terwijl een groene kleur juist duidt op weinig of geen bladgroen.