14 jul 2026,
Besmetting met tulpengalmijt bewijst ondeugdelijke bespuiting niet
Hof Arnhem-Leeuwarden 14 juli 2026, LS&R 2465; ECLI:NL:GHARL:2026:4550 ([appellant] tegen [geïntimeerden]). In deze zaak tussen [appellant] en [geïntimeerden] staat de vraag centraal of [geïntimeerden] zijn tekortgeschoten in de nakoming van een contractteeltovereenkomst doordat zij tulpenbollen niet of niet deugdelijk zouden hebben bespoten met een gewasbeschermingsmiddel dat Spirotetramat bevat. De tulpenbollen van het ras Yellow Flight waren na de teelt besmet geraakt met tulpengalmijt. [appellant] stelde dat dit het gevolg was van een ondeugdelijke gewasbescherming en vorderde onder meer terugbetaling van teeltkosten en vergoeding van de schade. Volgens het hof rustte op [appellant] op grond van artikel 150 Rv de bewijslast van haar stelling dat [geïntimeerden] niet of niet deugdelijk tegen tulpengalmijt hadden gespoten. Dat in onderzochte tulpenbollen geen Spirotetramat boven de detectiegrens was aangetroffen, was onvoldoende om de bewijslast om te keren. Ook het feit dat [appellant] daarmee bewijs van een negatief feit moest leveren, maakte dit niet anders.
Het hof stelt voorop dat op [geïntimeerden] een inspanningsverplichting rustte om voor een zo goed mogelijke oogst te zorgen en de tulpen zoveel mogelijk tegen plagen en ziekten te beschermen. Van een garantie dat de bollen vrij zouden blijven van tulpengalmijt was geen sprake. De enkele aanwezigheid van tulpengalmijt betekent daarom nog niet dat [geïntimeerden] hun contractuele verplichtingen niet zijn nagekomen. Uit getuigenverklaringen, leveringsnota’s, teeltverslagen en andere stukken bleek volgens het hof voldoende dat de tulpen op 20 mei en 5 juni 2020 waren bespoten met Batavia, een middel dat Spirotetramat bevat. Dat bij later onderzoek geen Spirotetramat boven de detectiegrens werd aangetroffen, rechtvaardigde niet de conclusie dat niet was gespoten. Ook kon [geïntimeerden] niet worden verweten dat voor Batavia in plaats van Movento was gekozen. Beide middelen bevatten Spirotetramat en golden destijds als geaccepteerde middelen ter bestrijding van tulpengalmijt. Het hof acht daarnaast van belang dat de opname van Spirotetramat afhankelijk is van onder meer de gezondheid van de bol, de bladontwikkeling en de weersomstandigheden. Daardoor is het mogelijk dat een bol ondanks een juiste bespuiting weinig of geen aantoonbare Spirotetramat opneemt. Alles overziend blijft volgens het hof zoveel twijfel bestaan dat niet aannemelijk is geworden dat [geïntimeerden] ondeugdelijk hebben gespoten. Het principaal hoger beroep van [appellant] slaagt daarom niet en de vonnissen van de rechtbank worden bekrachtigd.
3.31 Het hof is van oordeel dat, gelet op het verweer van [geïntimeerden] , de onderbouwing daarvan en voormelde bewijsmiddelen, afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien, niet aannemelijk is geworden dat de tulpenbollen niet zijn bespoten met Batavia dat de werkzame stof Spirotetramat bevat. Dat [belanghebbenden] geen verklaring hebben kunnen geven voor het feit dat zowel in de door Eurofins onderzochte tulpenbollen als in de door Groen Agro Control onderzochte tulpenbollen van het cultivar Pallada, geen Spirotetramat boven het detectieniveau is aangetroffen, rechtvaardigt nog niet de conclusie, tegen de achtergrond van de bewijsmiddelen zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.30 waarvoor het hof geen aanknopingspunt heeft om die voor onjuist of onbetrouwbaar te houden, dat de tulpenbollen niet met Batavia en daarmee met Spirotetramat zijn bespoten. In dit verband is ook relevant dat [naam1] als getuige onder ede op 12 juli 2024 ten overstaan van de rechtbank heeft verklaard: ‘Ik kan nooit met zekerheid zeggen dat er niet is gespoten met Spirotetramat als het niet uit het onderzoek komt.’ Dat de betreffende tulpenbollen door galmijt zijn aangetast, rechtvaardigt op zichzelf beschouwd, in het licht van het voorgaande, evenmin een andere conclusie. Andere redenen die zouden kunnen verklaren waarom niet met Spirotetramat is gespoten, te denken valt bijvoorbeeld aan een fout bij de productie van het middel Batavia, is niet gesteld of gebleken, zodat het hof aan die mogelijkheid voorbij gaat.7
3.47 Het hof komt op basis van het voorgaande, alles overziend, tot de conclusie dat zodanige twijfel blijft bestaan, dat niet aannemelijk is geworden dat [geïntimeerden] ondeugdelijk hebben gespoten. Redengevende feiten of omstandigheden die een andere conclusie rechtvaardigen zijn onvoldoende door [appellant] naar voren gebracht. Aan het door [appellant] gedane bewijsaanbod wordt voorbijgegaan, nu dat niet kan leiden tot een ander oordeel en voor het overige te algemeen van karakter is.8