7 jul 2026,
CBb laat toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen met cypermethrin, abamectine en esfenvaleraat in stand
CBb 7 juli 2026, LS&R 2422; ECLI:NL:CBB:2026:315 (De milieuorganisaties tegen het Ctgb en de Staat). In deze zaak tussen PAN Netherlands en de Natuur- en Milieufederatie Zuid-Holland enerzijds en het Ctgb anderzijds staat de vraag centraal of toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen met cypermethrin, abamectine en esfenvaleraat moesten worden ingetrokken. De milieuorganisaties wezen op overschrijdingen van toelatingsnormen voor waterorganismen en normen uit de Kaderrichtlijn Water in Nederlandse oppervlaktewateren.
Het College oordeelt dat het Ctgb voor cypermethrin en abamectine voldoende heeft toegelicht waarom de geconstateerde overschrijdingen geen aanleiding geven om de toelatingen opnieuw te beoordelen. Het aantal overschrijdingen was relatief beperkt, er bestond geen duidelijke relatie met landgebruik en niet kon worden vastgesteld dat de overschrijdingen voortkwamen uit het normale gebruik van de middelen volgens de toelatingsvoorwaarden. Voor esfenvaleraat is wel sprake van een structureel patroon van normoverschrijdingen. Het Ctgb hoefde echter geen afzonderlijke herbeoordeling op grond van artikel 44 van Verordening 1107/2009 te starten, omdat al een integrale herbeoordeling op grond van artikel 43 liep. Die procedure kan tot dezelfde aanpassingen van de toegelaten toepassingen leiden. Bij de normen uit de Kaderrichtlijn Water maakt het College onderscheid tussen cypermethrin en de andere twee stoffen. Cypermethrin is een prioritaire stof, waardoor het Ctgb de toelating moet herzien wanneer de doelen van de Kaderrichtlijn Water mogelijk niet worden bereikt. Daarvoor moet wel aannemelijk zijn dat de normoverschrijdingen uitsluitend of in belangrijke mate voortvloeien uit het normale gebruik van toegelaten gewasbeschermingsmiddelen. Dat verband kon hier niet worden vastgesteld, mede omdat cypermethrin ook als biocide en diergeneesmiddel wordt gebruikt. Abamectine en esfenvaleraat waren ten tijde van het besluit geen prioritaire stoffen. Voor overschrijdingen in oppervlaktewater verplichtte artikel 44 van Verordening 1107/2009 daarom niet tot herziening van de toelatingen. Het College merkt wel op dat overschrijding van milieukwaliteitsnormen bij een herbeoordeling een sterke aanwijzing kan vormen voor onaanvaardbare effecten op het milieu. Het beroep is ongegrond en de toelatingen blijven in stand. De milieuorganisaties ontvangen wel € 1.500 schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
3.9 Het Ctgb stelt dat voor de stof esfenvaleraat het aantal overschrijdingen van de toelatingsnorm inderdaad aanzienlijk is, met het jaar 2021 als duidelijke uitschieter. Met betrekking tot overschrijdingen van de toelatingsnorm is een structureel patroon te zien in monitoringsgegevens van de Bestrijdingsmiddelenatlas. Voor de periode 2020-2022 zijn er aanwijzingen dat gewasbeschermingsmiddelen voor de specifieke teelt van graszaad aan deze structurele overschrijding hebben bijgedragen. Momenteel is de integrale herbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stof esfenvaleraat volgens artikel 43 van de gewasbeschermingsverordening in uitvoering, na hernieuwde goedkeuring van de stof, waarbij ook de meetgegevens opnieuw zijn geëvalueerd. Omdat deze herbeoordeling hetzelfde effect op het toegelaten gebruik heeft als een herbeoordeling volgens artikel 44 van de gewasbeschermingsverordening (en kan, indien dit uit de beoordeling volgt, leiden tot dezelfde aanpassingen van het gebruik, voor wat betreft het toelatingscriterium) is het naar het oordeel van het Ctgb weinig zinvol om daar bovenop nog een herbeoordeling volgens artikel 44 van gewasbeschermingsverordening te starten. Het Ctgb onderneemt immers al actie om de toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stof esfenvaleraat te herzien op basis van het toelatingscriterium.
3.10 Het College kan het Ctgb volgen in zijn keuze om naast de herbeoordeling op grond van artikel 43 van de gewasbeschermingsverordening niet ook een herbeoordeling op grond van artikel 44 van de gewasbeschermingsverordening te starten. Het College betrekt hierbij dat de eerste volzin van artikel 44, eerste lid, van de gewasbeschermingsverordening zich, net als artikel 43, eerste lid, van de gewasbeschermingsverordening op de in artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening genoemde eisen richt. Het betreft hier dan ook eenzelfde beoordeling met eenzelfde effect.