LS&R 1866

CGR: reclame geneesmiddel Zejula is misleidend

GGR 30 september 2020, RB 3441, LS&R 1866; K20.004 (AstraZeneca tegen GSK) Reclamerecht. AZ en GSK houden zich bezig met de productie en verhandeling van geneesmiddelen en zijn vergunninghouders als bedoeld in de Gedragscode Geneesmiddelenreclame. AstraZeneca brengt het geneesmiddel Lynparza op de Nederlandse markt. GSK brengt het geneesmiddel Zejula op de Nederlandse markt. Zejula en Lynparza zijn rechtstreeks concurrerende producten. GSK heeft tijdens een symposium en in een advertentie de navolgende tekst gebruikt: “ZEJULA® De enige PARPi met een positief CieBOM-advies voor de afzonderlijke subgroepen met een non-BRCA óf BRCA-tumor* met platinasensitief, recidiverend ovariumcarcinoom¹”. AstraZeneca klaagt dat deze uitingen in strijd zijn met de Gedragscode.

De claim van GSK is niet aan te merken als een neutrale, zakelijke en objectieve verwijzing naar het CieBOM-advies over niraparib. De uitingen zijn aan te merken als vergelijkende reclame in de zin van de Gedragscode, welke vergelijking de suggestie wekt dat de CieBOM positiever zou zijn over Zejula dan over de andere PARP-remmers en daarmee wordt de superioriteit van Zejula gesuggereerd. De gemaakte vergelijking is niet wetenschappelijk onderbouwd. De uitingen zijn misleidend. De klacht van AstraZeneca is gegrond en GSK wordt gelet op de ernst van de overtreding bevolen een rectificatie te plaatsen in de vakbladen Medische Oncologie en Oncologie Up-to-date.

6.5. Anders dan GSK stelt, is de Codecommissie van oordeel dat de claim “ZEJULA®, De enige PARPi met een positief CieBOM-advies voor de afzonderlijke subgroepen met een non-BRCA óf BRCA-tumor*met platinasensitief, recidiverend ovariumcarcinoom¹” niet is aan te merken als een neutrale zakelijke en objectieve verwijzing naar het CieBOM-advies over niraparib. Mede gelet op de totaliteit van de overgelegde uitingen, in het bijzonder de opmaak waarbij gebruik wordt gemaakt van verschillende lettergroottes en van vetgedrukte woorden, kan voornoemde claim door het gebruik van de woorden “De enige PARPi” naar het oordeel van de Codecommissie niet anders opgevat worden dan als een vergelijking tussen Zejula® en de andere PARP-remmers, waaronder Lynparza®, welke vergelijking de suggestie wekt dat de CieBOM positiever zou zijn over Zejula® dan over de andere PARP-remmers en daarmee de suggestie van superioriteit van Zejula®. Met AZ is de Codecommissie van oordeel dat de uitingen zijn aan te merken als vergelijkende reclame in de zin van de Gedragscode.

6.7. Tussen partijen staat vast dat geen direct vergelijkende studie naar de werking en effectiviteit van Zejula®, Lynparza® en Rubraca® voorhanden is. De suggestie die met de uitingen wordt gewekt, namelijk dat Zejula® superieur is aan de andere PARP-remmers is dus niet wetenschappelijk onderbouwd.

6.8. Het betoog van GSK dat als zij niet de relevante beroepsgroep middels de gewraakte claim zou mogen attenderen op het CieBOM-advies over niraparib, omdat er sprake zou zijn van een impliciete vergelijking dan wel superioriteitsclaim, dit de facto zou betekenen dat klinisch relevant kenmerkende eigenschappen die op enig moment (nog) uniek zijn, niet zouden mogen worden gepubliceerd en de relevante beroepsgroep hierdoor belangrijke klinische informatie wordt onthouden, faalt. Het is een misvatting dat relevante en juiste informatie niet zou mogen worden gedeeld, maar de wijze waarop zulks gebeurt, dient in overeenstemming te zijn met artikel 5.2.2 van de Gedragscode, aan de hand waarvan de Codecommissie uitingen dient te toetsen.

6.9. Op grond van het bovenstaande voldoen de uitingen niet aan de in artikelen 5.2.2.8 jo. 5.2.2.9 van de Gedragscode gestelde eisen en zijn misleidend. Dit onderdeel van de klacht van AZ is gegrond.