LS&R 1965

Erkende gemoedsbezwaarde kan niet worden vergeleken met zorgverzekeringsplichtige

CRvB 1 juni 2021, LS&R 1965; ECLI:NL:CRVB:2021:1601 (Appellant tegen CAK) Appellant is erkend als gemoedsbezwaarde. Daarom is hij niet verzekeringsplichtig voor de Zorgverzekeringswet (Zvw). In plaats van premie betaalt hij bijdragevervangende belasting. Daarvan betaalt CAK zijn ziektekosten voor zover die in het basispakket vallen. CAK heeft geweigerd over 2018 de ziektekosten van appellant te vergoeden voor zover die kosten hoger waren dan het spaarsaldo dat er nog stond voor appellant. Appellant vindt dat discriminerend. De rechtbank is van mening, dat appellant deze situatie zelf heeft gecreëerd en klaarblijkelijk zo heeft gewild. Hij heeft zich willens en wetens onttrokken aan de collectieve solidariteit, waar het Nederlands zorgstelsel vanuit gaat. CAK heeft terecht geweigerd de declaraties te vergoeden toen het spaarsaldo van appellant verbruikt was. Er is aldus geen sprake van vergelijkbare gevallen, waardoor er ook geen discriminatie kan worden aangenomen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de CAK terecht heeft geweigerd om de zorgkosten te vergoeden. 

4.2.6. De Raad constateert dat appellant wilde worden uitgezonderd van (onder andere) de verzekeringsplicht voor de Zvw, die een uitdrukking is van collectieve solidariteit op het gebied van medische kosten. Door appellant als gemoedsbezwaarde te erkennen is de overheid tegemoet gekomen aan de – al dan niet als levensovertuiging te kwalificeren – opvatting van appellant. Op die manier is appellant immers niet langer verplicht tot deelname aan die collectieve solidariteit. In plaats daarvan moet appellant jaarlijks een bijdragevervangende belasting afdragen ter hoogte van de door de verzekeringsplichtige verschuldigde inkomensafhankelijke premie Zvw. De door verzekerden verschuldigde nominale premie blijft buiten de berekening van de bijdragevervangende belasting. Met deze belasting spaart appellant voor vergoeding van zijn eigen ziektekosten. Appellant draagt niet bij aan ziektekosten van anderen. Daar staat tegenover dat anderen ook niet bijdragen aan de ziektekosten van appellant. Appellant moet zijn ziektekosten zelf dragen, voor zover die hoger zijn dan de door hem betaalde bijdragevervangende belasting. Anderen wentelen dus hun ziektekosten niet af op appellant en appellant wentelt zijn ziektekosten niet af op anderen. Dit is precies de situatie die appellant heeft gewild toen hij erkenning vroeg als gemoedsbezwaarde. Het is ook de situatie die de wetgever blijkens 4.2.3 heeft bedoeld.

4.2.7. Omdat appellant zich, vanwege zijn voorkeur voor zelfredzaamheid, willens en wetens heeft onttrokken aan de collectieve solidariteit op het gebied van ziektekosten, kan hij voor de toepassing van de Zvw redelijkerwijs niet worden vergeleken met een verzekeringsplichtige op grond van de Zvw. Van een verboden ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen is alleen al daarom geen sprake. De Raad hoeft dan de vraag niet meer te beantwoorden of de regeling voor gemoedsbezwaarden voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.