LS&R 1646

Geen enkele hoeveelheid MDMA in mais toelaatbaar

CBb 11 september 2018, LS&R 1646; ECLI:NL:CBB:2018:490 (MDMA in mais) Appellante exploiteert een kalverhouderij, waar aanwezigheid van aan MDMA gerelateerde stoffen vastgesteld. Zij kreeg daarvoor een last onder bestuursdwang aangezegd: o.a. verontreinigde mest gelegen op adres 1 afvoeren naar het bedrijf dat bevoegd is afvalstof in te zamelen. Adres 2 is gebruikt om dunne mest uit te rijden die is gebruikt om de giergoten aan adres 1 goed te kunnen spoelen. Een toezichthouder van de Omgevingsdienst heeft geconstateerd dat de concentratie aan MDMA gerelateerde stoffen op adres 2 erg laag was en heeft geadviseerd geen nader onderzoek te doen en het perceel snel om ploegen. In oktober 2017 heeft de NVWA d.m.v. monsters van maisplanten MDMA aangetroffen. Appellante heeft onder meer de maatregel opgekregen geen mais meer op de markt te brengen. Zij heeft niet aan de termijn voldaan om de maatregelen te voldoen. Appellante voert aan dat het Rikilt te Wageningen te kennen heeft gegeven dat de methode voor MDMA in mest een rapportagegrens heeft van 50 ug/kg en dat dit voor mais haalbaar is. De hoogste in de mais van appellante gemeten waarde betreft 17 ug/kg. Voorts voert appellante aan dat bij de vondst van MDMA-resten in maisplanten in de gemeente Someren (waar het ging om gehaltes in de variatie tussen 1 en 60 ug/kg) geconcludeerd is dat bij deze gehaltes er geen gevaar voor de diergezondheid en volksgezondheid bestaat. Het CBb oordeelt dat de consument er van uit moet kunnen gaan dat mais geen MDMA bevat. Dit is bovendien verboden o.g.v. de Opiumwet. Uitgaande van het normale gebruik van mais als levensmiddel heeft verweerder zich met juistheid op het standpunt gesteld dat de met MDMA verontreinigde mais van appellante onaanvaardbaar en daarmee ongeschikt is voor menselijke consumptie. Ook oordeelt het CBb dat als met MDMA verontreinigde mais aan voedselproducerende dieren zou worden gevoederd, het voedsel dat uit de dieren wordt geproduceerd wordt, onveilig is voor menselijke consumptie. Dat de hoogste in mais gemeten waarde 17 ug/kg betreft, kan niet tot een ander oordeel leiden. Het College verklaart het beroep ongegrond.

5.2.1. Ingevolge artikel 14, eerste en tweede lid, van Verordening 178/2002 mogen levensmiddelen die onveilig zijn niet in de handel worden gebracht indien zij worden beschouwd als ongeschikt voor menselijke consumptie. Uit het derde lid van dit artikel volgt dat bij de beoordeling of een levensmiddel onveilig is de normale omstandigheden van het gebruik van het levensmiddel door de consument in aanmerking worden genomen. Voorts bepaalt het vijfde lid van voornoemd artikel dat bij de beoordeling of een levensmiddel ongeschikt is voor menselijke consumptie wordt bezien of een levensmiddel gelet op het gebruik waarvoor het is bestemd als gevolg van verontreiniging door vreemd materiaal onaanvaardbaar is voor menselijke consumptie.

5.2.2. Naar het oordeel van het College dient de consument er onder normale omstandigheden vanuit te kunnen gaan dat de mais die hij als levensmiddel gebruikt geen MDMA bevat. MDMA is op grond van artikel 2 van de Opiumwet verboden om binnen of buiten Nederland te brengen, aanwezig te hebben, te vervaardigen of te verwerken. Uitgaande van het normale gebruik van mais als levensmiddel heeft verweerder zich met juistheid op het standpunt gesteld dat de met MDMA verontreinigde mais van appellante onaanvaardbaar en daarmee ongeschikt is voor menselijke consumptie. Verweerder heeft de mais van appellante daarom terecht als onveilig levensmiddel zoals bedoeld in artikel 14, eerste lid, van Verordening 178/2002 gekwalificeerd.

5.3.1. Ingevolge artikel 15, eerste en tweede lid, tweede gedachtestreepje van Verordening 178/2002 mogen onveilige diervoeders niet in de handel worden gebracht indien zij worden beschouwd als producten die het levensmiddel dat wordt geproduceerd uit voedselproducerende dieren onveilig voor menselijke consumptie maken. Op grond van artikel 4 van Verordening 183/2005 in samenhang gelezen met artikel 57 van de Regeling is het een houder van dieren voorts niet toegestaan om een diervoeder dat een chemische verontreiniging bevat te vervoederen.

5.3.2. Naar het oordeel van het College heeft verweerder zich met juistheid op het standpunt gesteld dat als met MDMA verontreinigde mais aan voedselproducerende dieren zou worden vervoederd, dat het levensmiddel dat uit die dieren wordt geproduceerd onveilig voor menselijke consumptie maakt. De MDMA uit de verontreinigde mais zal via de voedselproducerende dieren in de levensmiddelen die uit die dieren worden geproduceerd terecht kunnen komen. Die levensmiddelen dienen vervolgens als ongeschikt voor menselijke consumptie te worden beschouwd vanwege de aanwezigheid van MDMA daarin. Gelet hierop heeft verweerder de mais van appellante terecht als onveilig diervoeder gekwalificeerd. Verweerder heeft zich vanwege de aanwezigheid van MDMA in de mais van appellante eveneens terecht op het standpunt gesteld dat die mais als chemisch verontreinigd diervoeder moet worden gekwalificeerd.

5.3.3 De beroepsgrond van appellante dat de hoogste in de mais gemeten waarde 17 ug/kg betreft en dit, zoals ook bij de vondst van MDMA resten in maisplanten in de gemeente Someren is geconcludeerd, geen gevaar voor de diergezondheid en de volksgezondheid met zich brengt, kan gelet op de voorgaande twee overwegingen niet tot een ander oordeel leiden. Anders dan appellante lijkt te veronderstellen heeft verweerder ook niet aan appellante tegengeworpen dat haar mais wordt beschouwd als schadelijk voor de volksgezondheid en de diergezondheid. De vergelijking van appellante met de situatie zoals die zich volgens haar heeft voorgegaan in de gemeente Someren gaat, wat daar ook van zij, daarom in dit geval ook niet op. De omstandigheid dat verweerder in het bestreden besluit niet is ingegaan op de door appellant in bezwaarde aangevoerde vergelijking met de situatie in de gemeente Someren maakt het bestreden besluit om die reden naar het oordeel van het College niet onrechtmatig. Voor zover dit als een formeel motiveringsgebrek valt aan te merken is appellante hierdoor materieel noch processueel in enig belang geschaad, zodat het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd.