Food  

LS&R 2473

RvS stelt prejudiciële vragen over voedingssupplementen, geneesmiddelen en medische claims in online reviews

Raad van State 25 mrt 2026, LS&R 2473; ECLI:NL:RVS:2026:1651 ([appellanten] tegen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport), https://www.lsenr.nl/artikelen/rvs-stelt-prejudiciele-vragen-over-voedingssupplementen-geneesmiddelen-en-medische-claims-in-online-reviews

Raad van State 25 maart 2026, RB 4151; LS&R 2473; IEFbe 4337; ECLI:NL:RVS:2026:1651 ([appellanten] tegen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport). In deze zaken tussen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en verschillende online verkopers staat de vraag centraal wanneer een als voedingssupplement verkocht product moet worden aangemerkt als geneesmiddel naar aandiening. De NVWA constateerde dat de verkopers verschillende producten op hun websites presenteerden met uitingen over onder meer pijn, gewrichten, verkoudheid, griep en het coronavirus. De minister legde daarop boetes op wegens het zonder handelsvergunning te koop aanbieden van geneesmiddelen en het maken van reclame voor geneesmiddelen zonder handelsvergunning.

LS&R 2471

Deskundige moet beoordelen of Vion voedselketeninformatie zelf had moeten controleren

Rechtbank Gelderland 9 sep 2026, LS&R 2471; ECLI:NL:RBGEL:2026:6727 (Vion tegen de Maatschap), https://www.lsenr.nl/artikelen/deskundige-moet-beoordelen-of-vion-voedselketeninformatie-zelf-had-moeten-controleren

Rb. Gelderland 9 september 2026, LS&R 2471; ECLI:NL:RBGEL:2026:6727 (Vion tegen de Maatschap). In deze zaak tussen Vion en een maatschap staat de vraag centraal wie verantwoordelijk is voor het feit dat twee dioxineverdachte Galloway-runderen zijn geslacht. In een eerder tussenvonnis kreeg Vion de opdracht te bewijzen dat de Maatschap vóór de verkoop aan Vion wist dat op de runderen een dioxineverdenking rustte en dat zij daarom niet geschikt waren voor menselijke consumptie. Vion baseert zich onder meer op verklaringen van de vorige eigenaar en diens echtgenote. Volgens hen is bij de verkoop aan [gedaagde 1] meegedeeld dat de runderen dioxineverdacht waren en is bij het ophalen een uitdraai uit het I&R meegegeven waarop de verdenking stond vermeld. [gedaagde 1] betwist dit. Volgens hem is tijdens de verkoop niets over een dioxineverdenking gezegd en heeft hij bij het ophalen van de dieren geen papieren ontvangen.

LS&R 2469

Boete wegens overtreding voedselhygiënevoorschrift blijft in stand

Rechtbank Rotterdam 10 apr 2026, LS&R 2469; ECLI:NL:RBROT:2026:3942 ([eiseres] tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), https://www.lsenr.nl/artikelen/boete-wegens-overtreding-voedselhygienevoorschrift-blijft-in-stand

Rb. Rotterdam 10 april 2026, RB 4141; LS&R 2469; ECLI:NL:RBROT:2026:3942 ([eiseres] tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur). In deze zaak tussen [eiseres] en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur staat de vraag centraal of terecht een boete van € 17.500 is opgelegd wegens het onvoldoende beschermen van vlees tegen verontreiniging. Tijdens een NVWA-controle in een trailer werden condensdruppels aangetroffen boven reeds ingeladen vlees. De toezichthouder zag dat condens naar beneden viel en op het vlees terechtkwam. Volgens de NVWA kon deze condens ziekteverwekkers bevatten en was daarmee sprake van een overtreding van de hygiënevoorschriften uit Verordening 852/2004. De minister legde aanvankelijk twee overtredingen aan de boete ten grondslag. In bezwaar verviel één daarvan, maar de overtreding van Bijlage II, hoofdstuk IX, punt 3, van Verordening 852/2004 bleef in stand. Op grond van deze bepaling moeten levensmiddelen in alle stadia van productie, verwerking en distributie worden beschermd tegen iedere vorm van verontreiniging waardoor zij ongeschikt of schadelijk kunnen worden voor menselijke consumptie.

LS&R 2466

Boetes onveilige mosselen en te late melding bij NVWA terecht opgelegd

Rechtbank Rotterdam 4 mrt 2026, LS&R 2466; ECLI:NL:RBROT:2026:2080 ([eiseres] tegen de staatssecretaris van VWS), https://www.lsenr.nl/artikelen/boetes-onveilige-mosselen-en-te-late-melding-bij-nvwa-terecht-opgelegd

Rb. Rotterdam 4 maart 2026, RB 4140; LS&R 2466; ECLI:NL:RBROT:2026:2080 ([eiseres] tegen de staatssecretaris van VWS). In deze zaak tussen [eiseres] en de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport staat de vraag centraal of partijen mosselen die waren besmet met salmonella respectievelijk een te hoog gehalte aan Azaspiracide (AZP), al als levensmiddelen in de handel waren gebracht en of [eiseres] daarvan onverwijld melding had moeten doen bij de NVWA. Aan [eiseres] waren in totaal drie bestuurlijke boetes opgelegd wegens overtredingen van de Warenwet. [eiseres] stelde dat de mosselen nog geen levensmiddelen waren, omdat vóór verkoop nog stappen zoals zuivering, verwatering, reiniging, verpakking en etikettering moesten plaatsvinden. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Mosselen worden levend aan consumenten verkocht en moeten in beginsel direct na het opvissen aan de geldende eisen voldoen. Zuivering en verwatering zijn volgens de rechtbank bovendien geen noodzakelijke productiestappen en brengen geen ingrijpende wijziging van het product mee. De mosselen moeten daarom al in een vroeg stadium van het productieproces als levensmiddel worden aangemerkt.

LS&R 2456

Onvoldoende bewezen dat coquilles onverwerkt waren; boete voor gebruik van additief vervalt

Rechtbank Rotterdam 10 jul 2026, LS&R 2456; ECLI:NL:RBROT:2026:8857 ([eiseres] tegen staatssecretaris van VWS), https://www.lsenr.nl/artikelen/onvoldoende-bewezen-dat-coquilles-onverwerkt-waren-boete-voor-gebruik-van-additief-vervalt

Rb. Rotterdam 10 juli 2026, LS&R 2456; ECLI:NL:RBROT:2026:8857 ([eiseres] tegen staatssecretaris van VWS). In deze zaak tussen [eiseres], een groothandel in visserijproducten, en de staatssecretaris van VWS staat een bestuurlijke boete centraal wegens het toevoegen van het levensmiddelenadditief E500 aan coquilles. E500 is niet toegestaan in onverwerkte schaal- en weekdieren, maar mag wel worden gebruikt in verwerkte visserijproducten. De vraag is daarom of de coquilles van [eiseres] als verwerkt of onverwerkt product moeten worden aangemerkt. De staatssecretaris baseert de boete op een rapport van een NVWA-toezichthouder. Volgens de toezichthouder waren de coquilles door het productieproces niet ingrijpend gewijzigd en moesten zij daarom als onverwerkt worden beschouwd. [eiseres] betwist dit en voert aan dat haar productieproces onder meer leidt tot wijzigingen in volume, structuur, smaak, geur, mondgevoel, pH-waarde, vochtgehalte, zoutgehalte en eiwitstructuur. Zij onderbouwt dit met verschillende onderzoeksrapporten.

LS&R 2406

HvJ EU: misleidende voedselinformatie kan ook onder Richtlijn oneerlijke handelspraktijken vallen

Hof van Justitie EU 30 jun 2026, LS&R 2406; ECLI:EU:C:2026:357 (Lidl tegen AGCM), https://www.lsenr.nl/artikelen/hvj-eu-misleidende-voedselinformatie-kan-ook-onder-richtlijn-oneerlijke-handelspraktijken-vallen

HvJ EU 30 april 2026, RB 4038; LS&R 2406; ECLI:EU:C:2026:357 (Lidl tegen AGCM). In deze zaak tussen Lidl Italia en de Italiaanse mededingings- en consumentenautoriteit (AGCM) staat de vraag centraal of een handelaar voor een misleidende voedselinformatiepraktijk zowel kan worden aangesproken op grond van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken (Richtlijn 2005/29/EG) als op grond van Verordening (EU) nr. 1169/2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten. Het Hof oordeelt dat beide regelingen naast elkaar kunnen worden toegepast, omdat zij elkaar aanvullen en niet met elkaar in conflict zijn. Aanleiding voor het geschil vormt een bestuurlijke boete van € 1 miljoen die de AGCM aan Lidl Italia heeft opgelegd wegens de verkoop van verschillende pastaproducten. Op de verpakking werd de Italiaanse herkomst van de pasta benadrukt en vermeld dat de tarwe in Italië was gemalen, terwijl de gebruikte durumtarwe afkomstig was uit een mengsel van tarwe uit de EU en van buiten de EU. Volgens de AGCM kon de verpakking bij consumenten de indruk wekken dat ook de grondstof volledig van Italiaanse oorsprong was. Omdat de buitenlandse herkomst van de gebruikte tarwe niet op een vergelijkbare wijze onder de aandacht werd gebracht, achtte de AGCM de verstrekte informatie onvolledig en misleidend ten aanzien van een wezenlijk kenmerk van het product, namelijk de herkomst van de grondstof. Bij de vaststelling van de boete woog de AGCM mee dat miljoenen verpakkingen waren verkocht en dat de praktijk meerdere jaren had voortgeduurd. Lidl betoogt dat uitsluitend Verordening (EU) nr. 1169/2011 van toepassing is op voedselinformatie en dat daarom geen sanctie mocht worden opgelegd op grond van de nationale regels waarmee de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken is omgezet. De verwijzende rechter vraagt het Hof daarom of artikel 3, lid 4, van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken eraan in de weg staat dat dezelfde gedraging onder beide regelingen wordt gesanctioneerd. Het Hof stelt voorop dat de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken een algemene regeling bevat voor oneerlijke handelspraktijken die rechtstreeks verband houden met de verkoop en promotie van producten aan consumenten. Misleidende handelspraktijken omvatten onder meer situaties waarin de gemiddelde consument door de presentatie van informatie wordt misleid over essentiële kenmerken van een product, zoals de samenstelling of geografische herkomst, en daardoor een aankoopbeslissing neemt die hij anders niet zou hebben genomen.

LS&R 2369

Prejudiciële vragen gesteld over voedselveiligheid

Hof van Justitie EU 10 dec 2025, LS&R 2369; C-803/25 (NG tegen Bezirkshauptmannschaft Grieskirchen), https://www.lsenr.nl/artikelen/prejudiciele-vragen-gesteld-over-voedselveiligheid

Prejudiciële vragen gesteld aan Hof van Justitie EU 10 december 2025, LS&R 2369; C-803/25 (NG tegen Bezirkshauptmannschaft Grieskirchen) via MinBuza. Verzoekende partij heeft het voedingssupplement ‘Curcuma 500’ in de handel gebracht. Na controle door de nationale keuringsdienst van waren werd het product beoordeeld als onveilig vanwege het hoge curcumagehalte, en daarmee als ongeschikt voor menselijke consumptie in de zin van artikel 14 van verordening 178/2002. Deze beoordeling was echter niet gegrond in de in artikel 14, lid 5, genoemde redenen (verontreiniging door vreemd materiaal of anderszins, of door verrotting, kwaliteitsverlies of bederf). Ter discussie staat of er afgeweken kan worden van de redenen uit lid 5 om een levensmiddel als ongeschikt voor menselijke consumptie te kunnen aanmerken. 

LS&R 2350

Last onder dwangsom wegens aardappelteelt in verbodsgebied: geen boos opzet vereist en geen schending van het evenredigheidsbeginsel

College van Beroep voor het Bedrijfsleven 10 feb 2026, LS&R 2350; ECLI:NL:CBB:2026:48 (Maatschap [naam], te [woonplaats] tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), https://www.lsenr.nl/artikelen/last-onder-dwangsom-wegens-aardappelteelt-in-verbodsgebied-geen-boos-opzet-vereist-en-geen-schending-van-het-evenredigheidsbeginsel

Cbb 10 februari 2026, LS&R 2350; ECLI:NL:CBB:2026:48 (Maatschap [naam], te [woonplaats] tegen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur). In deze zaak had Maatschap [naam], een akkerbouwbedrijf, beroep ingesteld tegen besluiten van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Op 9 juni 2023 constateerde een toezichthouder van de NAK dat op twee percelen aardappelen werden geteeld terwijl deze percelen binnen een gebied vielen waarvoor een aardappelteeltverbod geldt (bijlage 8 van de Regeling plantgezondheid). De minister legde vervolgens op 22 juni 2023 een last onder dwangsom op om de teelt vóór 5 juli 2023 te beëindigen, met een dwangsom van € 500 per perceel per controle (maximaal € 1.500 per perceel). Hercontroles toonden echter aan dat de aardappelen bleven groeien. De minister vorderde daarom op 15 augustus 2023 twee dwangsommen van ieder € 1.000 en verklaarde bij besluit van 19 september 2023 het bezwaar van de maatschap tegen het dwangsombesluit ongegrond. Tegen deze besluiten stelde de maatschap beroep in bij het College. De maatschap voerde aan dat zij in de veronderstelling verkeerde de regels na te leven en niet wist dat de percelen binnen het verbodsgebied lagen, mede omdat een NAK-onderzoek geen waarschuwing daarover had gegeven; voorts stelde zij dat vernietiging van de pootaardappelen onevenredig was en dat minder ingrijpende maatregelen mogelijk waren.

LS&R 2153

Europees Hof oordeelt over classificatie nieuw voedingsmiddel

Hof van Justitie EU 19 feb 2023, LS&R 2153; ecli:EU:C:2023:38 (TLL The Longevity Labs GmbH tegen Optimize Health Solutions mi GmbH, BM), https://www.lsenr.nl/artikelen/europees-hof-oordeelt-over-classificatie-nieuw-voedingsmiddel

Hof van Justitie van de Europese Unie 19 januari 2023, LS&R 2153; ECLI:EU:C:2023:38 (TLL The Longevity Labs GmbH tegen Optimize Health Solutions mi GmbH, BM) De verwijzende rechter in Oostenrijk wil weten of het litigieuze product (voedingssupplement met spermidine-verrijkt meel) als een "nieuw voedingsmiddel" kan worden beschouwd volgens Verordening 2015/2283. Dit gaat over de verdeling van producten die verkregen zijn uit planten en het bestaan van een "geschiedenis van veilig gebruik als voedsel in de EU". Het Europees Hof van Justitie heeft bepaald dat de beoordeling of een product (in dit geval hydroponisch geteelde boekweitkiemen met spermidine-verrijkt meel) als nieuw voedingsmiddel kan worden beschouwd, afhangt van de invloed van het productieproces op het specifieke levensmiddel. Als het productieproces gericht is op het verkrijgen van meel met een hoog spermidinegehalte, kan het product als nieuw voedingsmiddel worden aangemerkt, ongeacht of de gebruikte spermidine synthetisch of natuurlijk is. De zuiverheid van de spermidine is wel belangrijk.

LS&R 2152

HvJ EU: verduidelijking classificatie voedingssupplement "go Optimize Spermidine"

Hof van Justitie EU 19 jan 2023, LS&R 2152; ecli:EU:C:2023:38 (TLL The Longevity Labs GmbH tegen Optimize Health Solutions mi GmbH, BM), https://www.lsenr.nl/artikelen/hvj-eu-verduidelijking-classificatie-voedingssupplement-go-optimize-spermidine

Hof van Justitie EU 19 januari 2023, LS&R 2152; ECLI:EU:C:2023:38 (TLL The Longevity Labs GmbH tegen Optimize Health Solutions mi GmbH, BM) Een Oostenrijkse rechter vraagt het Hof van Justitie van de Europese Unie om uitspraak over de classificatie van het voedingssupplement "go Optimize Spermidine" van Optimize Health Solutions. De rechter vraagt om verduidelijking over de betekenis van "nieuw voedingsmiddel" en "productieprocedé van levensmiddelen" in Verordening 2015/2283 en of dit product valt onder de verordening voor bescherming van volksgezondheid. Voorafgaande toestemming is verplicht voor verkoop en "nieuw voedingsmiddel" betekent producten die niet vóór 15 mei 1997 voor menselijke voeding werden gebruikt en vallen onder één van de categorieën in artikel 3, lid 2, onder a). De rechter vraagt ook om verduidelijking over de betekenis van "nieuw" in verband met de beoordeling van productieprocedés. Het productieprocedé van het voedingssupplement valt onder de voedselwetgeving omdat het eindproduct, het meel, een voedsel is en wordt beschouwd als een levensmiddel.