Gepubliceerd op donderdag 19 februari 2026
LS&R 2349
Rechtbank Den Haag ||
11 feb 2026
Rechtbank Den Haag 11 feb 2026, LS&R 2349; ECLI:NL:RBDHA:2026:2175 (VERENIGING NATUUR- EN MILIEUFEDERATIE NOORD-HOLLAND te Zaandam, VERENIGING ZEEUWSE MILIEUFEDERATIE te Middelburg, STICHTING NATUUR- EN MILIEUFEDERATIE ZUID-HOLLAND te Den Haag, STICHTING FRIESE MILIEUFEDERATIE te Leeuwarden, STICHTING GEZOND WATER te Hans), https://www.lsenr.nl/artikelen/geen-verplichting-tot-strenger-pfas-beleid-voor-de-staat

Geen verplichting tot strenger PFAS‑beleid voor de Staat

Rb Den Haag 11 februari 2026, LS&R 2349; ECLI:NL:RBDHA:2026:2175 (VERENIGING NATUUR- EN MILIEUFEDERATIE NOORD-HOLLAND te Zaandam, VERENIGING ZEEUWSE MILIEUFEDERATIE te Middelburg, STICHTING NATUUR- EN MILIEUFEDERATIE ZUID-HOLLAND te Den Haag, STICHTING FRIESE MILIEUFEDERATIE te Leeuwarden, STICHTING GEZOND WATER te Hansweert, eiseressen tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat)). De zaak betreft een collectieve actie van verschillende milieuorganisaties tegen de Staat over het Nederlandse PFAS-beleid. Volgens de organisaties leveren PFAS (zoals PFOA en PFOS) ernstige en grotendeels onomkeerbare risico’s op voor milieu en volksgezondheid. De Staat zou al geruime tijd bekend zijn met deze risico’s, maar desondanks onvoldoende doen om blootstelling van de bevolking en verdere milieubelasting terug te dringen. Zij verwijten de Staat onder meer dat de vergunningspraktijk voor PFAS-lozingen te ruim is, dat te weinig wordt ingezet op het terugdringen van bestaande verontreiniging en dat Nederland, mede gelet op art. 21 Grondwet en internationaal milieurecht, sneller en strenger had moeten optreden. De vorderingen strekken onder meer tot verklaringen voor recht dat de Staat onrechtmatig handelt door geen toereikend PFAS-beleid te voeren, tot bevelen om emissies en concentraties van PFAS binnen relatief korte termijnen aanzienlijk te reduceren, en tot het verbieden van verder uitstel van Europese en nationale normen (zoals drinkwater- en oppervlaktewaternormen en KRW-doelstellingen). Ook verlangen eisers concrete aanvullende maatregelen, waaronder strengere lozingsvergunningen, nationale verboden op bepaalde toepassingen en versnelde sanering van ernstig verontreinigde locaties.

De rechtbank stelt voorop dat regering en parlement bij de inrichting van het PFAS-beleid een ruime beoordelingsvrijheid toekomt, omdat het gaat om complexe afwegingen tussen volksgezondheid, milieubescherming, economie, woningbouw, afvalverwerking en drinkwatervoorziening. De rechter treedt niet in de plaats van de politiek, maar toetst of de Staat binnen de grenzen van nationaal, Europees en internationaal recht blijft. Centraal in het oordeel staat dat de vorderingen zijn gericht tegen het huidige PFAS-beleid. De rechtbank acht onvoldoende concreet onderbouwd dat dit beleid, gegeven de huidige stand van de wetenschap en het bestaande Europese kader, tekortschiet. De geleidelijke ontwikkeling van kennis over PFAS betekent niet dat moet worden aangenomen dat de Staat al eerder zodanig nalatig is geweest dat thans aanvullende, rechterlijk op te leggen maatregelen vereist zijn. Anders dan in de Urgenda-zaak is geen sprake van het negeren van een duidelijk afgebakende, juridisch afdwingbare reductieverplichting. Ook is niet aangetoond dat het recht de door eisers genoemde datum (22 december 2027) als absolute einddeadline voorschrijft, noch dat de Staat precies de voorgestelde maatregelen moet treffen. De keuze om prioriteit te geven aan het voorkomen van nieuwe emissies en aan een zo breed mogelijk Europees verbod, evenals de terughoudendheid ten aanzien van grootschalige sanering gelet op technische, financiële en milieukundige beperkingen, valt binnen de beoordelingsruimte van de Staat. Van strijd met de (zorg)plichten of met art. 6:162 lid 2 BW is daarom geen sprake. De vorderingen worden afgewezen.

5.83. “De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat eiseressen onvoldoende concreet onderbouwd hebben op welke onderdelen het staande PFAS-beleid van de Staat, met de kennis van nu, tekortschiet.”

5.84. “De rechtbank heeft kennisgenomen van de beschrijving van de ontwikkeling van de kennis over PFAS en de schadelijke gevolgen ervan in de reactie op de conclusie van antwoord van prof. dr. J. de Boer en prof. dr. W.P. de Voogt van 22 oktober 2025. Tijdens de mondelinge behandeling hebben eiseressen echter aangegeven dat hun vorderingen gericht zijn tegen de huidige PFAS-maatregelen. De rechtbank is van oordeel dat aan de duur van de bekendheid van de Staat met PFAS-problematiek beperkte betekenis toekomt, aangezien de vorderingen betrekking hebben op de huidige aanpak van de PFAS-problematiek. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest in de Urgenda-zaak, moet de Staat wel tijdig maatregelen nemen; in dat verband kan een rol spelen of de Staat in het verleden nalatig is geweest.”

5.85. “De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat de Staat niet tijdig maatregelen treft. Zij neemt daarbij op basis van de gedingstukken in aanmerking dat de kennis en wetenschappelijke consensus over de aanwezigheid en risico’s van PFAS in Nederland zich de laatste decennia sterk hebben ontwikkeld. In eerste instantie richtten onderzoeken zich met name op de aanwezigheid en risico’s van PFOS en PFOA. In Nederland lag bovendien eerst de focus op de aanwezigheid van PFOA in de omgeving van Chemours. Pas in de loop van de jaren 10 van deze eeuw kon de Staat naar het oordeel van de rechtbank geacht worden bekend te zijn met de grootschalige aanwezigheid van andere soorten PFAS. De schadelijkheid van (andere soorten) PFAS werd met name duidelijk door de opinie van de EFSA van 17 september 2020 en het rapport dat het RIVM naar aanleiding daarvan in 2023 heeft uitgebracht. Eiseressen hebben erop gewezen dat het RIVM in 2010 kanttekeningen heeft geplaatst bij zijn conclusie dat de blootstelling van de Nederlandse bevolking aan PFAS door voedsel en drinkwater beperkte toxicologische relevantie had, maar naar het oordeel van de rechtbank waren deze kanttekeningen indertijd niet dusdanig dwingend, dat nu geconcludeerd moet worden dat de Staat sinds 2010 tekortgeschoten is in zijn PFAS-beleid en op dit moment extra maatregelen vereist zijn.”

5.86. “De rechtbank ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat de Staat in dit geval zijn vrijheid bij het kiezen van maatregelen overschrijdt. De Staat heeft, na afweging van verschillende andere maatschappelijke belangen, ervoor gekozen zich in eerste instantie te richten op het zoveel mogelijk voorkomen dan wel beperken dat PFAS in het milieu terechtkomen. Volgens de Staat is het saneren van alle PFAS-verontreiniging in Nederland bij de huidige stand van de techniek niet mogelijk en maatschappelijk onwenselijk. Saneringen leiden thans tot een grote energievraag, bijbehorende broeikasgasemissies en andere negatieve effecten op het milieu en lokale gemeenschappen, vaak tegen geringe milieuwinst en met geregeld hoge kosten, aldus de Staat. Het maken van deze afwegingen valt binnen de reikwijdte van de beoordelingsruimte van de Staat.”

5.87. “Verder heeft de Staat zich op het standpunt gesteld dat een Europees optreden voor de hand ligt, gelet op de grensoverschrijdende verspreiding van PFAS, de Europese interne markt en de geharmoniseerde stoffenwetgeving. Eiseressen hebben erop gewezen dat de Staat een individuele verantwoordelijkheid heeft om ‘het zijne’ te doen. De rechtbank volgt eiseressen hierin, maar dit neemt niet weg dat de Staat vrijheid toekomt bij de invulling van ‘het zijne’. De Staat neemt, zoals blijkt uit het voorgaande, ook nationale maatregelen, maar geeft er prioriteit aan om zijn middelen aan te wenden om Europees optreden mogelijk te maken. Deze inzet van middelen valt naar het oordeel van de rechtbank binnen de beoordelingsruimte van de Staat.”

5.88. “Eiseressen hebben verschillende andere maatregelen geopperd, maar onvoldoende onderbouwd dat de zorgplicht van de Staat inhoudt dat de Staat daarvoor zou moeten kiezen. De rechtbank ziet in het gestelde dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de Staat handelt in strijd met de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 lid 2 BW. Van onrechtmatig handelen is dus geen sprake. Dit betekent dat de vorderingen C, F, G, I en J zullen worden afgewezen.”