Gepubliceerd op maandag 8 juni 2026
LS&R 2393
Rechtbank Limburg ||
20 mei 2026
Rechtbank Limburg 20 mei 2026, LS&R 2393; ECLI:NL:RBLIM:2026:3714 ((VGZ tegen [gedaagde])), https://www.lsenr.nl/artikelen/geen-wettelijke-rente-voor-zorgverzekeraar-wegens-ontbreken-algemene-voorwaarden

Geen wettelijke rente voor zorgverzekeraar wegens ontbreken algemene voorwaarden

Rb. Limburg 20 mei 2026, LS&R 2393; ECLI:NL:RBLIM:2026:3714 (VGZ tegen [gedaagde]). De kantonrechter van de Rechtbank Limburg heeft geoordeeld dat [gedaagde] een openstaande premieachterstand aan zijn zorgverzekeraar moet voldoen. De gevorderde wettelijke rente werd echter afgewezen, omdat de zorgverzekeraar de toepasselijke algemene voorwaarden niet in het geding had gebracht. Daardoor kon de kantonrechter niet beoordelen of de bedingen waarop de rentevordering was gebaseerd verenigbaar zijn met het consumentenrecht. Tussen partijen bestond een zorgverzekeringsovereenkomst. Nadat een betalingsachterstand was ontstaan, hadden partijen een betalingsregeling getroffen. [gedaagde] bleef echter ook tijdens de looptijd van die regeling achter met het voldoen van nieuwe premietermijnen. Volgens de zorgverzekeraar was de betalingsregeling daardoor vervallen en werd het resterende openstaande bedrag direct opeisbaar. De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een consumentenovereenkomst en toetst daarom ambtshalve of de aan de vordering ten grondslag gelegde bedingen voldoen aan het consumentenrecht.

Onder verwijzing naar onder meer het Dexia-arrest en het Gupfinger-arrest van het Hof benadrukt de kantonrechter dat de rechter moet kunnen beoordelen of contractuele bepalingen waarop een professionele partij zich beroept niet oneerlijk zijn, ook wanneer formeel een beroep wordt gedaan op wettelijke bepalingen. De gevorderde hoofdsom wordt toegewezen. Ten aanzien van de wettelijke rente overweegt de kantonrechter dat de zorgverzekeraar zich beroept op bepalingen uit haar algemene voorwaarden, maar deze voorwaarden niet volledig heeft overgelegd. Daardoor kan niet worden vastgesteld of de betreffende bedingen van toepassing zijn en of zij voldoen aan de regels over oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. De vordering tot betaling van wettelijke rente wordt daarom afgewezen. [gedaagde] wordt wel veroordeeld tot betaling van de openstaande premieachterstand en de proceskosten.

4.7. VGZ vordert betaling van wettelijke rente. De kantonrechter moet in beginsel ambtshalve vaststellen of in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt over dit gevorderde onderdeel en beoordelen of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het betreffende beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen, ook als VGZ in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak. Dit alles volgt uit het Dexia-arrest (HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68) en het Gupfinger-arrest (HvJ, EU 8 december 2022, ECLI:EU:2022:971).

4.8. Vanaf 1 april 2025Ā (datum betekening) dienen bij alle dagvaardingen in consumentenzaken de voor de beoordeling relevante stukken op papier aangeleverd te worden, zo ook de algemene voorwaarden die op de overeenkomst van toepassing zijn. Nu VGZ in onderhavige kwestie deze niet volledig heeft overgelegd, kan er niet getoetst worden of de algemene voorwaarden een oneerlijk beding bevatten op deze onderdelen. De kantonrechter zal daarom de reeds vervallen wettelijke rente en de wettelijke rente vanaf 2 december 2025 afwijzen.