LS&R 1650

HvJ EU: enkel tabaksproducten die slechts correct kunnen worden geconsumeerd wanneer zij worden gepruimd, zijn pruimtabaksproducten

Conclusie AG HvJ EU 17 oktober 2018, LS&R 1650; C-425/17 (Günter Hartmann Tabakvertrieb) Tabak.

Artikel 2, punt 8, van richtlijn 2014/40/EU (...), gelezen in samenhang met artikel 2, punt 6, van die richtlijn, moet aldus worden uitgelegd dat enkel tabaksproducten die slechts correct kunnen worden geconsumeerd wanneer zij worden gepruimd, „tabaksproducten bestemd om te worden gepruimd” in de zin van die bepalingen vormen, hetgeen de nationale rechter dient vast te stellen op basis van alle relevante objectieve kenmerken van de betrokken producten, zoals de samenstelling, de consistentie, de aanbiedingsvorm en, in voorkomend geval, het daadwerkelijke gebruik ervan door de consument.

Prejudicieel gestelde vragen [LS&R 1493]:

Dient artikel 2, punt 8, van richtlijn 2014/40/EU1 aldus te worden uitgelegd dat onder „producten die zijn bestemd om te worden gepruimd” alleen pruimtabaksproducten in traditionele zin moeten worden verstaan?

Dient artikel 2, punt 8, van richtlijn 2014/40/EU aldus te worden uitgelegd dat „producten die zijn bestemd om te worden gepruimd” hetzelfde betekenen als „pruimtabak” in de zin van artikel 2, punt 6, van de richtlijn?

Dient voor de vraag of een tabaksproduct in de zin van artikel 2, punt 8, van richtlijn 2014/40/EU „is bestemd om te worden gepruimd”, rekening te worden gehouden met een objectieve benaderingswijze met betrekking tot het product en niet met hetgeen de producent heeft vermeld of met het daadwerkelijke gebruik door de consument?

Dient artikel 2, punt 8, van richtlijn 2014/40/EU aldus te worden uitgelegd dat het feit dat het is bestemd om te worden gepruimd, vereist dat het tabaksproduct door de consistentie en de stevigheid ervan objectief geschikt is om te worden gepruimd en dat door het pruimen van het tabaksproduct de ingrediënten van het product vrijkomen?

Dient artikel 2, punt 8, van richtlijn 2014/40/EU aldus te worden uitgelegd, dat opdat een tabaksproduct is bestemd „om te worden gepruimd” als bijkomende voorwaarde wordt gesteld, maar ook volstaat, dat door een lichte, herhaalde drukuitoefening op het tabaksproduct met de tanden of de tong meer ingrediënten van het product vrijkomen dan wanneer het slechts in de mond wordt gehouden?

Of is het onontbeerlijk dat bij „bestemd om te worden gepruimd” geen ingrediënten vrijkomen wanneer het product louter in de mond wordt gehouden of eraan wordt gezogen?

Kan het feit dat een tabaksproduct geschikt is „om te worden gepruimd” in de zin van artikel 2, punt 8, van richtlijn 2014/40/EU ook tot stand worden gebracht door een aanbiedingsvorm die die losstaat van de verwerkte tabak zelf, bijvoorbeeld door een cellulosebuiltje?