8 apr 2026
Kantonrechter: onbegrensd incassobeding zorgverzekeraar strijdig met het consumentenrecht
Rb. Limburg 8 april 2026, LS&R 2387; ECLI:NL:RBLIM:2026:3102 (De Friesland tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen zorgverzekeraar De Friesland en [gedaagde] staat de vraag centraal in hoeverre bijkomende kosten – met name buitengerechtelijke incassokosten – toewijsbaar zijn bij een betalingsachterstand onder een zorgverzekeringsovereenkomst, en hoe ver de rechter ambtshalve moet gaan bij de toetsing aan het consumentenrecht. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] een achterstand heeft in de betaling van premies en zorgkosten over 2024 en 2025. De openstaande posten bedragen in totaal € 1.416,26. Na een deelbetaling van € 46,47 resteert een hoofdsom van € 1.369,79, vermeerderd met rente. [gedaagde] erkent deze schuld, maar verzet zich tegen de bijkomende kosten. Hij beroept zich daarbij op zijn moeilijke financiële situatie en doet een beroep op de redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter verwerpt dit verweer. Dat [gedaagde] zich in een moeilijke financiële positie bevindt, ontslaat hem niet van zijn contractuele verplichtingen. De rechter benadrukt dat van [gedaagde] mocht worden verwacht dat hij eerder maatregelen had getroffen, bijvoorbeeld door hulp in te schakelen bij zijn financiële problemen. Dat dit is uitgebleven, komt voor zijn rekening. Ook het feit dat partijen geen passende betalingsregeling hebben bereikt, brengt niet mee dat De Friesland had moeten afzien van incassomaatregelen. De hoofdsom en de wettelijke rente (tot aan de dagvaarding berekend) worden dan ook toegewezen, evenals de verdere wettelijke rente over de resterende hoofdsom vanaf de dagvaarding. Vervolgens komt de kantonrechter toe aan de beoordeling van de buitengerechtelijke incassokosten, waarbij ambtshalve wordt getoetst of het contractuele incassokostenbeding in de polisvoorwaarden verenigbaar is met het consumentenrecht. Onder verwijzing naar het Dexia‑arrest en het Gupfinger‑arrest van het Hof van Justitie wordt vooropgesteld dat de rechter ook dan gehouden is een beding te vernietigen wanneer de schuldeiser zich primair beroept op wettelijke grondslagen (zoals artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten), maar het beding in algemene voorwaarden oneerlijk is.
Ten aanzien van 2024 oordeelt de kantonrechter dat het incassokostenbeding uit de toepasselijke polisvoorwaarden basisverzekeringen vanaf 1 januari 2024 oneerlijk is. Het beding bepaalt – kort gezegd – dat alle (gerechtelijke en buitengerechtelijke) kosten van invordering voor rekening van de verzekeringnemer komen, zonder enige begrenzing. Dit kan ertoe leiden dat De Friesland méér incassokosten in rekening brengt dan op grond van het Besluit is toegestaan. Daarmee wordt een aanzienlijk onevenwicht ten nadele van de consument gecreëerd. Het beding wordt als oneerlijk aangemerkt en vernietigd. Gevolg is dat de buitengerechtelijke incassokosten over 2024 volledig worden afgewezen: voor dat jaar ontbreekt na vernietiging een rechtsgeldige grondslag. Voor 2025 ligt dit anders. In de voor dat jaar toepasselijke polisvoorwaarden ontbreekt een incassokostenbeding. De kantonrechter komt daarom uit bij het reguliere wettelijke regime van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. In dat kader onderzoekt de kantonrechter de verzonden veertiendagenbrieven. Één van de aanmaningen (van 24 maart 2025) voldoet niet aan de wettelijke eisen, omdat daarin een te hoog bedrag aan incassokosten is aangekondigd in verhouding tot de op dat moment openstaande vordering. Dat deel wordt afgewezen. De overige aanmaningen voldoen wél aan de eisen van het consumentenrecht, zodat voor 2025 buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn. De kantonrechter past vervolgens de staffel van het Besluit toe op de toewijsbare hoofdsom over 2025 (€ 1.032,31) en matigt de incassokosten tot € 187,37. In zoverre wordt de incassovordering over 2025 toegewezen. Per saldo worden dus de hoofdsom en (wettelijke) rente toegewezen, alsmede de buitengerechtelijke incassokosten voor 2025 tot een bedrag van € 187,37. De proceskosten – inclusief nakosten – worden volledig ten laste van [gedaagde] gebracht. De kantonrechter ziet geen aanleiding tot kostencompensatie, nu De Friesland haar vordering op hoofdlijnen toegewezen krijgt en de afwijzing zich vooral beperkt tot de door het oneerlijke beding gedekte incassokosten over 2024 en het te hoog aangekondigde deel voor 2025.
4.9. De kantonrechter stelt vast dat de buitengerechtelijke incassokosten betrekking hebben op vorderingen uit 2024 en 2025, waarop verschillende algemene voorwaarden van toepassing zijn. Dit brengt mee dat de toewijsbaarheid van deze kosten afzonderlijk per jaar worden beoordeeld.
4.10. De toepasselijke algemene voorwaarden bevatten een incassokostenbeding (artikel 2.9 onder l. van de Polisvoorwaarden basisverzekeringen vanaf 1 januari 2024) waarin onder meer het volgende is opgenomen: “l. Als De Friesland maatregelen treft tot incasso van een vordering, dan komen alle kosten van de invordering, zowel gerechtelijke als buitengerechtelijke, voor rekening van de verzekeringnemer.”
4.11. De bedongen vergoeding is niet begrensd in omvang en daarmee dus hoger dan de vergoeding conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter is van oordeel dat het beding daardoor oneerlijk is ten opzichte van [gedaagde] . Het beding wordt daarom vernietigd. Het gevolg hiervan is dat de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten voor het jaar 2024 wordt afgewezen.
4.12. De toepasselijke algemene voorwaarden in de Polisvoorwaarden basisverzekeringen vanaf 1 januari 2025 bevatten geen beding met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten.
4.13. [gedaagde] is op grond van eenzelfde rechtsverhouding (de zorgverzekeringsovereenkomst) termijnbetalingen aan De Friesland verschuldigd. De Friesland heeft [gedaagde] voor meerdere termijnbetalingen, waarvan er ten minste één minder dan € 266,67 bedroeg, aanmaningen gestuurd. Eén van de aanmaningen voldoet niet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW, omdat daarin een hoger bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is aangezegd dan op grond van artikel 6:96 lid 8 BW en artikel 2a lid 1 dan wel lid 2 van het Besluit is toegestaan. Het gaat om de aanmaning van 24 maart 2025. Het bedrag van € 72,60 dat in die aanmaning is genoemd, wordt dus afgewezen. De andere aanmaningen voldoen aan de eisen die artikel 6:96 BW en het Besluit stellen.
4.14. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief dat hoort bij de toewijsbaar geoordeelde hoofdsom van € 1.032,31 over 2025. Het daarbij volgens het Besluit bepaalde tarief komt uit op een bedrag van € 187,37. De kantonrechter zal dan ook het bedrag van € 187,37 aan buitengerechtelijke incassokosten toewijzen.