Gepubliceerd op donderdag 21 mei 2026
LS&R 2382
Rechtbank Rotterdam ||
27 nov 2025
Rechtbank Rotterdam 27 nov 2025, LS&R 2382; ECLI:NL:RBROT:2025:15756 ((VTA tegen HHSK)), https://www.lsenr.nl/artikelen/mini-competitie-afvalwaterzuivering-doorstaat-toets-voldoende-gelijk-speelveld

Mini-competitie afvalwaterzuivering doorstaat toets: voldoende gelijk speelveld

Rb. Rotterdam 27 november 2025, LS&R 2382; ECLI:NL:RBROT:2025:15756 (VTA tegen HHSK). In deze zaak tussen VTA Austria GmbH en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) staat de vraag centraal of bij een mini-competitie voor de levering van polyelektrolyt sprake was van een eerlijk speelveld tussen de inschrijvers. Het geschil speelt zich af in het kader van een aanbestedingsprocedure voor de levering van polyelektrolyt ten behoeve van een afvalwaterzuiveringsinstallatie. VTA heeft aan deze mini-competitie deelgenomen, maar stelt dat de praktijktesten – waarbij slib wordt ontwaterd – niet onder gelijke omstandigheden hebben plaatsgevonden. In een eerder tussenvonnis kon de voorzieningenrechter nog niet vaststellen of sprake was van een eerlijke competitie, waarna de behandeling is heropend. Kern van het geschil is dat het slib waarmee de tests werden uitgevoerd geen constante samenstelling had, met name wat betreft het droge stofgehalte. Volgens VTA heeft dit een wezenlijke invloed op de ontwaterbaarheid van het slib en daarmee op de prestaties van het gebruikte polyelektrolyt. HHSK betwist dit en stelt dat de ontwaterbaarheid vooral wordt bepaald door de slibsamenstelling en het type polyelektrolyt, en dat inschrijvers voldoende mogelijkheden hadden om hun procesinstellingen daarop aan te passen.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat absolute gelijkheid in deze context niet vereist is, omdat het gaat om een natuurproduct waarvan de samenstelling fluctueert. Doorslaggevend is of inschrijvers voldoende mogelijkheden hebben gehad om eventuele verschillen te compenseren. Dat is volgens de rechter het geval. Inschrijvers konden tijdens de testdagen de instellingen van de centrifuge aanpassen en de concentratie van het polyelektrolyt variëren. Daarmee konden zij actief sturen op het behalen van de gestelde prestatie-eis. Zelfs indien het droge stofgehalte van invloed zou zijn op de ontwaterbaarheid, leidt dit volgens de voorzieningenrechter niet tot het oordeel dat sprake is van een ongelijk speelveld; HHSK heeft naar voorlopig oordeel een ‘level playing field’ gecreëerd en de inschrijvers zijn aan een eerlijke competitie onderworpen. De geboden technische en operationele aanpassingsmogelijkheden waren voldoende om een concurrerende inschrijving mogelijk te maken. De mini-competitie voldoet daarmee aan de eisen van een eerlijke procedure. Een aanvullend bezwaar van VTA – dat zij voorafgaand aan de praktijktest niet meer de aanmaakconcentratie van het polyelektrolyt mocht aanpassen – wordt eveneens verworpen. Dit bezwaar is niet tijdig kenbaar gemaakt, terwijl de aanbestedingsstukken voorschreven dat klachten binnen twee werkdagen moesten worden ingediend. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van VTA af en veroordeelt haar in de proceskosten.

2.6. De voorzieningenrechter overweegt dat partijen het erover eens zijn dat bij het ontwateren van slib, los van het drogestofgehalte, de instellingen van de centrifuge en het aanlengen van het PE in de aanmaakinstallatie van belang zijn. Tijdens de inregeldag en de praktijkdag (tussen 08:00 en 09:00 uur) konden de inschrijvers de instellingen van de centrifuge en de aanmaakconcentratie van het PE aanpassen. Inschrijvers hadden bijvoorbeeld de mogelijkheid om het trommeltoerental en het verschiltoerental tussen de trommel en de schroef van de centrifuge te wijzigen en meer of minder water aan het PE toe te voegen. Zelfs als het drogestofgehalte van invloed is op de ontwaterbaarheid van het slib, heeft HHSK daarmee naar voorlopig oordeel voldoende gelijke mogelijkheden aan de inschrijvers geboden om de garantie-eis van een drogestofgehalte van minimaal 21% in het ontwaterde slib te halen, gelet op de werking van de installatie, het memo en de toelichting ter zitting van [persoon B] . De inschrijvers konden immers, anders dan VTA eerder betoogde, meerdere maatregelen nemen (“aan verschillende knoppen draaien”) om de werking van het PE te beïnvloeden en dus de garantie-eis te halen. HHSK heeft daarmee naar voorlopig oordeel een level playing field gecreëerd door de inschrijvers zoveel als mogelijk in staat te stellen om een concurrerende inschrijving te doen. Zij zijn aan een eerlijke competitie onderworpen.

2.7. Tijdens de voortgezette mondelinge behandeling heeft VTA voorts betoogd dat haar manager Benelux, de heer [persoon C] , voor de aanvang van de praktijkdag (dus vóór 08:00 uur) aan de heer [persoon D] van HHSK heeft gevraagd of hij de aanmaakconcentratie kon aanpassen (het PE zo dik mogelijk kon maken). Volgens VTA zou [persoon D] daarop hebben geantwoord dat dit niet meer mocht. HHSK ( [persoon D] ) heeft dit weersproken. Hoewel HHSK het verloop van de praktijkdag in haar logboek slechts summier heeft doen vastleggen, en daardoor niet precies kan worden achterhaald wat [persoon C] met wie besproken heeft, staat vast dat [persoon C] hierover in zijn brief aan HHSK van 9 april 2025 niet heeft geklaagd. Daarmee heeft VTA dit punt te laat aan de orde gesteld. Paragraaf 2.5.3. van de uitnodigingsbrief schrijft immers voor dat “eventuele bezwaren met betrekking tot de locatietest (…) binnen twee (2) werkdagen na het ontstaan van de situatie waarop het bezwaar betrekking heeft, schriftelijk [dienen] te worden ingediend via [persoon E] .” Dit betekent dat ook dit betoog van VTA faalt.