LS&R 1813

Octrooi op medisch hulpmiddel vernietigbaar bij gebrek aan inventiviteit

Rechtbank Den Haag 23 oktober 2019, IEF 19163, LS&R 1813; ECLI:NL:RBDHA:2019:11142 (Biolitec tegen Tobrix) Tussenvonnis. Biolitec legt zich toe op de ontwikkeling en productie van medische lasersystemen en optische vezels. Tobrix exploiteert een groothandel in medische instrumenten en laboratoriumbenodigdheden.Tobrix produceert en verhandelt – onder meer – twee soorten radiaal fibers (radiaal vezels), de TXMF600R en de TXMF400R. Biolitec is houdster van octrooi EP 2 620 119 B1 (EP 119), dat betrekking heeft op een ‘Endoluminal laser ablation device for treating veins’. Het octrooi van Biolitic is vernietigbaar bij gebrek aan inventiviteit. Biolitic mag nog reageren op het verweer tegen subsidiaire hulpverzoeken. Een provisioneel inbreukverbod is niet toewijsbaar want die hulpverzoeken slagen voorshands niet. Zie ook [LS&R 1810].

5.25. Biolitec heeft nog betoogd dat US 400 de vakman juist leert om laterale, evenwijdige straling te verminderen en door middel van een diffusor de straling te laten divergeren, waardoor de stralingsintensiteit afneemt. Zij wijst daarbij op de figuren 14 en 15 van US 400 en de beschrijving in randnummer [0096]. Dat betoog heeft Biolitec echter eerst pas ter zitting naar voren gebracht en dient derhalve als tardief te worden gepasseerd. Bovendien lijken de betreffende figuren en de beschrijving in randnummer [0096] betrekking te hebben op een andere uitvoering van een laserinrichting voor behandeling van bloedvaten, die juist wel beoogt axiaal te stralen. Deze inrichting wordt immers besproken bij ‘axially directed energy delivery’. Dit onderdeel van de beschrijving heeft dan ook geen betrekking op figuur 9C en de hiervoor beschreven pointer in randnummer [0086] van US 400.

5.26. De conclusie moet daarom zijn dat de vakman zal inzien dat de conische ‘fiber tip’ zoals weergegeven in figuur 3 van Heinze 1990, met de straling zoals afgebeeld in de figuren 4 tot en met 6, een oplossing biedt voor het technisch probleem waarvoor hij zich, uitgaande van US 400, gesteld ziet.

5.27. Conclusie 1 van EP 119 is dus niet inventief en daarmee nietig. Uit het voorgaande volgt dat de hulpverzoeken naar voorlopig oordeel niet tot een beperkter maar geldig octrooi zullen leiden, zodat er onvoldoende grond is voor toewijzing van de incidentele vordering tot het geven van een inbreukverbod voor de duur van dit geding.