6 nov 2025
Onjuiste toepassing Vydate 10G door orchideeënkwekerij: medeplegen en geldboete
Rb Amsterdam 6 november 2025, LS&R 2365; ECLI:NL:RBAMS:2025:10874 (verdachte tegen OM). De rechtbank Amsterdam veroordeelt een orchideeënkwekerij als rechtspersoon omdat zij in de periode van 1 september 2020 tot en met 16 september 2022 samen met anderen het gewasbeschermingsmiddel Vydate 10G in strijd met de gebruiksvoorschriften heeft toegepast bij vlinderorchideeën. De onderneming mengde Vydate met bulgur en strooide dit mengsel wekelijks na het oppotten over de planten(potten), terwijl het middel volgens de toelatings- en etiketvoorschriften uitsluitend vóór het oppotten als potgrondbehandeling in de aarde mocht worden verwerkt. De officier van justitie vorderde veroordeling wegens opzettelijke overtreding van artikel 20 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, gelezen in samenhang met artikel 55 Verordening (EG) 1107/2009, en een geldboete van 20.000 euro. De verdediging voerde onder meer aan dat de dagvaarding nietig was wegens onvoldoende verfeitelijkt tenlasteleggen, dat geen opzet bestond, dat het gebruik al eind 2021 was gestaakt en dat sprake was van ontbreken van materiële wederrechtelijkheid, en vroeg bij een eventuele veroordeling om een (geheel) voorwaardelijke boete, onder meer wegens vermeende schending van de redelijke termijn en de negatieve gevolgen van het onderzoek voor de onderneming.
De rechtbank oordeelt dat de tenlastelegging voldoet aan artikel 261 Sv omdat daarin concreet is omschreven dat het onjuiste gebruik bestaat uit het mengen van Vydate met bulgur en het na oppotten over de planten verstrooien, waardoor verdere verfeitelijking bij dit economische delict niet nodig is. Op basis van verklaringen van betrokkenen en het aantreffen van apparatuur en mengsels met Oxamyl (de werkzame stof van Vydate) acht de rechtbank bewezen dat deze werkwijze gedurende de gehele tenlastegelegde periode meermalen is toegepast, wijst zij het verweer over het staken van gebruik eind 2021 af, neemt zij opzet aan bij zowel de uitvoerende werknemer als de directie en kwalificeert zij de samenwerking met een andere kwekerij en de werknemer als medeplegen. Het beroep op kwalificatie-uitsluitende omstandigheden en op ontbreken van materiële wederrechtelijkheid wordt verworpen, omdat niet onderbouwd is dat de gehanteerde methode minstens hetzelfde of een hoger beschermingsniveau biedt als het voorgeschreven gebruik. Ook van een schending van de redelijke termijn is volgens de rechtbank geen sprake. Rekening houdend met de ernst van het langdurig negeren van strikte voorschriften voor een zeer giftig middel, maar ook met strafverminderende factoren (zoals blanco strafblad, zoektocht naar een minder belastende methode en het feit dat ook andere kwekers zo werkten), acht de rechtbank een geldboete van 20.000 euro passend en verklaart zij de rechtspersoon schuldig aan opzettelijke, meermalen gepleegde overtreding van artikel 20 Wgb in medeplegen.
7.3 Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het feit is bewezen en een kwalificatie oplevert van schending van artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Daarin is bepaald dat het verboden is in strijd te handelen met artikel 55 van de Verordening. Dat is ook ten laste gelegd. In artikel 55 van de Verordening wordt verwezen naar voorschriften in artikel 31 van de Verordening; die moeten worden nageleefd en bewezen is dat dat niet is gebeurd. Het verweer dat het feit niet kan worden gekwalificeerd wordt verworpen.
Over het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid overweegt de rechtbank het volgende. Van het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid kan sprake zijn als door de handelwijze van verdachte het met de overtreden strafbepaling nagestreefde doel wordt bereikt of daardoor een hoger belang wordt gediend, of wanneer bepaald gedrag naar algemeen aanvaarde professionele of maatschappelijke normen toelaatbaar is. Dat hiervan sprake zou zijn is door verdachte onvoldoende onderbouwd. Niet is gebleken dat de toepassingswijze die verdachte heeft gehanteerd naar de huidige stand van de wetenschap tot hetzelfde of een hoger niveau van bescherming van de gezondheid van de mens zou leiden. Het had op de weg van verdachte gelegen het standpunt nader te onderbouwen. De rechtbank verwerpt het verweer.
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.