Gepubliceerd op dinsdag 31 maart 2026
LS&R 2368
Rechtbank Gelderland ||
9 dec 2025
Rechtbank Gelderland 9 dec 2025, LS&R 2368; ECLI:NL:RBGEL:2025:10878 (de officier van justitie tegen [veroordeelde]), https://www.lsenr.nl/artikelen/ontneming-wederrechtelijk-voordeel-bij-illegale-handel-in-gewasbeschermingsmiddelen

Ontneming wederrechtelijk voordeel bij illegale handel in gewasbeschermingsmiddelen

Rb Gelderland 9 december 2026, LS&R 2368; ECLI:NL:RBGEL:2025:10878 (de officier van justitie tegen [veroordeelde]). De rechtbank Gelderland behandelt in deze ontnemingsprocedure de vraag welk wederrechtelijk verkregen voordeel een rechtspersoon heeft behaald met de illegale handel in gewasbeschermingsmiddelen en het gebruik van valse documenten. In de hoofdzaak is al vastgesteld dat de onderneming zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan (mede)pleging van overtreding van artikel 20 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (door zonder vereiste toelating middelen op de markt te brengen) en aan valsheid in geschrift en het gebruik van valse geschriften. Daarvoor is een geldboete opgelegd. Het openbaar ministerie vordert in de ontnemingszaak ruim 2,5 miljoen euro, gebaseerd op een financieel rapport waarin per order over de periode 2009–2014 het behaalde voordeel is berekend. De onderneming importeerde grote partijen middelen (met name uit China), liet die in Nederland inklaren en leverde aan afnemers in diverse EU‑lidstaten. Volgens het OM gaat het niet alleen om de in de hoofdzaak bewezen feiten, maar ook om andere vergelijkbare transacties waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat die zijn gepleegd. De verdediging voert diverse verweren: het dossier zou onvoldoende inzichtelijk zijn om buiten redelijke twijfel meer feiten aan te nemen, bij bulkgoederen zou de Verordening niet van toepassing zijn, bij een deel van de zendingen zou sprake zijn van re‑export naar derde landen (zodat geen toelating nodig is) en bovendien zou de NVWA door haar handelwijze gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt. Ook wordt betwist dat er een causaal verband is tussen de valsheid in geschrift en de behaalde winst.

De rechtbank verwerpt deze verweren en beoordeelt zelfstandig per order of sprake is van een strafbare gedraging en of buiten redelijke twijfel vaststaat dat de veroordeelde rechtspersoon daarvoor verantwoordelijk is. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet, omdat uit het financieel rapport en de orderlijst duidelijk blijkt welke transacties zijn meegenomen en de onderneming daaruit geen rechtens te honoreren vertrouwen kon putten. Het standpunt dat bulkverpakkingen buiten de Verordening zouden vallen wordt evenmin gevolgd: onder verwijzing naar een SANCO‑richtsnoer oordeelt de rechtbank dat de zinsnede “in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden geleverd” ziet op de samenstelling van het chemische mengsel en niet op de verpakking, zodat ook bulkgoederen onder het toelatingsregime vallen. Voor het re‑export‑verweer geldt dat slechts uit vermelding op facturen of verkoopbevestigingen niet blijkt dat de middelen daadwerkelijk bestemd waren voor gebruik buiten de EU, temeer waar de goederen in de Unie zijn ingeklaard en op Europese adressen zijn afgeleverd; daarmee is re‑export onvoldoende aannemelijk gemaakt. Ten aanzien van de valse documenten (onder meer certificaten van oorsprong, leveranciersverklaringen en vrachtbrieven) oordeelt de rechtbank dat die vals zijn en dat zij ertoe hebben bijgedragen dat de illegale handel kon plaatsvinden en voordeel opleverde; in sommige gevallen wordt, uitgaande van een hypothetisch legale situatie, slechts een bepaald percentage (bijvoorbeeld 47%) van het berekende voordeel aan de veroordeelde toegerekend. Uiteindelijk stelt de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op ruim 1,6 miljoen euro en legt de rechtspersoon een betalingsverplichting tot dat bedrag aan de Staat op, waarmee wordt benadrukt dat naast strafrechtelijke bestraffing ook de met illegale gewasbeschermingsmiddelenhandel behaalde winst wordt ontnomen.

4.6 Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank het totale geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vaststellen op een bedrag van:

bewezenverklaarde feiten € 25.125,82

overtreding artikel 20 Wgb feiten € 848.486,91

valsheid in geschrift feiten € 793.178,21 +

Totaal € 1.666.790,94

In de bijlage is het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel per order weergegeven.

5.1 De standpunten

De verdediging heeft gewezen op het tijdsverloop in de procedure en de rechtbank verzocht daar rekening mee te houden bij het bepalen van het door veroordeelde te betalen bedrag.

Het openbaar ministerie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Subsidiair is namens het openbaar ministerie naar voren gebracht dat moet worden gekeken naar de hoofdregel van de Hoge Raad, te weten een aftrek van (maximaal) € 5.000,-.

5.2 De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt het volgende.

In de strafzaak heeft de rechtbank rekening gehouden met de schending van de redelijke termijn en de aan veroordeelde opgelegde boete gehalveerd van € 800.000,00 naar € 400.000. De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde daarmee voldoende is gecompenseerd voor de overschrijding van de redelijke termijn. Er bestaat daarom geen aanleiding om in de onderhavige ontnemingszaak (opnieuw) consequenties te verbinden aan de schending van de redelijke termijn en de rechtbank zal daar dan ook van afzien.

De rechtbank zal de betalingsverplichting bepalen op hetzelfde bedrag als het vastgestelde geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.