LS&R 1979

Onvoldoende onderbouwd belang rectificatie

Vzr. Rechtbank Rotterdam 22 juni 2021, IEF 20148, IT 1979; ECLI:NL:RBROT:2021:7868 (BSI tegen Comedical) Kort geding. Eiser BSI is gespecialiseerd in het ontwikkelen van hoogwaardige medische hulpmiddelen. Verweerder Comedical is een bedrijf dat zich richt op de ontwikkeling en distributie van radiofrequente apparatuur en katheters en naalden voor een minimale invasieve behandeling van chronische pijn. Comedical heeft via diverse kanalen een aantal uitlatingen gedaan over BSI en haar producten. BSI eist onder meer rectificatie. Negatieve berichtgeving op Facebook wordt verwijderd. Voor toewijzing van verdere rectificaties is geen aanleiding omdat BSI haar belang onvoldoende heeft onderbouwd. Gelet op het arbitragebeding dat in artikel 7.6 is opgenomen in de tussen partijen geldende distributieovereenkomst acht de voorzieningenrechter zich niet bevoegd om van de vorderingen in reconventie kennis te nemen. De vorderingen dienen in arbitrage te worden beslecht in Boston, met toepassing van de ICDR.

5.9. Met BSI is de voorzieningenrechter van oordeel dat de uitlatingen van [persoon A] op zijn Facebook account kunnen worden toegerekend aan Comedical. [persoon A] heeft de uitingen gedaan in het kader van zijn activiteiten als CEO van Comedical, waardoor Comedical op grond van de in het verkeer geldende opvattingen ook voor de uitspraken van haar functionarissen kan worden aangesproken. Ook de brief van 18 februari 2021 kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan Comedical worden toegerekend. De brief is verstuurd op briefpapier van Comedical en door [persoon A] als CEO van Comedical ondertekend.

5.10. Ter zitting heeft [persoon A] verklaard bereid te zijn de berichten van zijn Facebook account te verwijderen zodat dit als zodanig in het dictum zal worden opgenomen. Voor toewijzing van het meer gevorderde ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding nu BSI haar belang hierbij onvoldoende heeft onderbouwd. BSI stelt slechts dat de uitlatingen reputatieschade kunnen opleveren en dat dit de omzet van BSI negatief zou kunnen raken. Dat dit ook daadwerkelijk het geval is niet door BSI met stukken onderbouwd en daar door niet gebleken. Dat de uitlatingen van [persoon A] , alsmede de brief van 18 februari 2021 onrust heeft veroorzaakt bij de klanten van BSI of dat BSI hierdoor lastig wordt gevallen en schade lijdt heeft zij niet met stukken onderbouwd en is daarom onvoldoende aannemelijk. De vorderingen, alsmede de gevorderde dwangsom, worden daarom afgewezen.