2 jul 2026,
Pluripharm krijgt in kort geding geen betaling van miljoenenachterstand
Rb. Amsterdam 2 juli 2026, LS&R2453; ECLI:NL:RBAMS:2026:6725 (Pluripharm tegen de apotheken). In deze zaak tussen Pluripharm en een aantal apotheken uit de Apotheekgroep Noordplein staat een omvangrijke betalingsachterstand voor geleverde genees- en hulpmiddelen centraal. Pluripharm levert sinds 2019 dagelijks farmaceutische producten aan de apotheken. De bestellingen werden op basis van vooruitbetaling geplaatst, waarna eventuele restbedragen moesten worden voldaan. Vanaf 2023 waren de vooruitbetalingen steeds vaker ontoereikend en liepen de betalingsachterstanden op. Pluripharm vordert in kort geding betaling van de openstaande facturen en verlangt daarnaast dat de apotheken zekerheid stellen door middel van pandrechten op onder meer vorderingen en aandelen.
De voorzieningenrechter stelt vast dat sprake is van forse betalingsachterstanden, maar oordeelt dat onmiddellijke betaling in kort geding niet kan worden toegewezen. De achterstanden zijn over meerdere jaren ontstaan, waarbij ook Pluripharm onvoldoende scherp heeft toegezien op de oplopende bedragen. Pas in april 2026 heeft zij actief om betaling gevraagd. Vervolgens werden de apotheken binnen korte tijd gesommeerd de volledige achterstand te voldoen. De wijze waarop Pluripharm de apotheken onder druk heeft gezet om de achterstand in zeer korte tijd volledig in te lopen, strookt volgens de voorzieningenrechter niet met de eisen van redelijkheid en billijkheid die contractspartijen tegenover elkaar in acht moeten nemen. Daarnaast ontbreekt een voldoende spoedeisend belang. De betalingsachterstand loopt inmiddels niet verder op, omdat nieuwe bestellingen volledig vooruit worden betaald. Onmiddellijke betaling zou bovendien de apotheken en daarmee de patiënten die van deze apotheken afhankelijk zijn in acute problemen kunnen brengen. Pluripharm heeft niet gesteld dat zij zelf in financiële problemen komt wanneer zij langer op betaling moet wachten. Ook staat de precieze omvang van de betalingsachterstand per apotheek onvoldoende vast. Partijen verschillen onder meer van mening over de verwerking van kortingen en de verrekening van eerdere betalingen. De geldvorderingen lenen zich daarom niet voor toewijzing in kort geding.De gevorderde zekerheden worden eveneens afgewezen. Uit de raamovereenkomst volgt volgens de voorzieningenrechter wel dat Pluripharm zekerheid mag vragen, maar niet zonder meer dat de apotheken verplicht zijn de door Pluripharm verlangde zekerheid daadwerkelijk te verstrekken. Evenmin volgt uit de overeenkomst dat zij gehouden zijn mee te werken aan de specifieke pandconstructie die Pluripharm voorstelt. De voorzieningenrechter wijst alle vorderingen van Pluripharm af en veroordeelt haar in de proceskosten.
4.5 Die conclusie betekent natuurlijk niet dat Pluripharm geen aanspraak zou mogen maken op betaling van haar vorderingen, maar wel dat zij dit niet op deze korte termijn mag doen. De vorderingen zijn ook niet spoedeisend. Pluripharm heeft de oplopende achterstanden zelf jarenlang op hun beloop gelaten. In april 2026 zette zij eerst nog in op het “laten teruglopen naar een regulier saldo” daarvan. Waarom dan nu de volledige vorderingen onmiddellijk moeten worden betaald, is niet duidelijk geworden. Daarbij komt dat de betalingsachterstand niet verder oploopt (bestellingen worden inmiddels volledig vooruit betaald) en dat onmiddellijke betaling de apotheken – en daarmee vooral ook de patiënten die van de betreffende apotheken afhankelijk zijn – in acute problemen brengt. Niet gesteld is dat Pluripharm in de problemen komt als zij langer op betaling zou moeten wachten en de apotheken wat meer lucht en langer de gelegenheid zou bieden om een oplossing voor de betalingsachterstand te regelen.
4.6 Verder geldt dat wel duidelijk is dat de betalingsachterstanden fors zijn, maar dat de achterstand per apotheek niet precies duidelijk is. De apotheken voeren aan dat in het verleden ten onrechte kortingen zijn onthouden en geen inzicht is gegeven in de wijze waarop (betalings)kortingen zijn verwerkt en of/hoe wekelijkse betalingen zijn verrekend met facturen. Bij die stand van zaken kan niet zonder meer worden uitgegaan van de door Pluripharm berekende bedragen, wat ook een beletsel is voor toewijzing van die bedragen in kort geding. Mogelijk zou een lager bedrag – zo ongeveer tot de hoogte van het bedrag dat ook door de apotheken wordt erkend, als zij daarbij al een bedrag noemen – kunnen worden toegewezen, maar dat komt dan neer op toekenning van een voorschot. Daarvoor dient dan een duidelijk spoedeisend belang aanwezig te zijn, en zoals hiervoor is vastgesteld, is dat er niet, althans heeft Pluripharm dat onvoldoende onderbouwd. De slotsom is dat de geldvorderingen in dit kort geding niet worden toegewezen.