LS&R 1676

Prejudicieel gestelde vraag: kan een apotheker uit een andere lidstaat specifieke regels uit het Franse wetboek van volksgezondheid opgelegd krijgen?

Prejudicieel gestelde vraag aan HvJ EU 28 september 2018, LS&R 1676; C-649/18 (Oneerlijke concurrentie geneesmiddelen) Via Minbuza. Vennootschap A is een BV naar Nederlands recht, en is in Nederland geregistreerd voor de uitoefening van de activiteiten van een apotheek. A oefent haar activiteiten eveneens uit door de onlineverkoop van geneesmiddelen via verschillende websites, waaronder de website www.s[...].fr. A heeft in Frankrijk haar website gepromoot met o.a. flyers, reclamedrukwerk, en reclameaanbiedingen op haar website. Zij heeft ook een betalende vermelding gekocht voor de zoekwoorden “lasante.net” (Google AdWords), heeft op grote schaal promotie gevoerd door de aandacht te vestigen op kortingen en door internetgebruikers de kans te bieden grote hoeveelheden geneesmiddelen te bestellen. Op 13.06.2016 hebben de geïntimideerden - die in Frankrijk apotheekactiviteiten uitoefenen - A voor de handelsrechter (Parijs) gedaagd, waarbij zij vergoeding hebben geëist van de schade ten gevolge van de oneerlijke concurrentie. De oneerlijke concurrentie zou bestaan in het voordeel dat A (volgens hen) had door de niet-naleving van de wetgeving betreffende de onlineverkoop van geneesmiddelen in Frankrijk. A stelde dat de Franse wetgeving niet op haar van toepassing is.

In zijn vonnis van 11.07.2017 heeft de handelsrechter geoordeeld dat de genoemde wijze van promotie het beroep van apotheker onwaardig is (artikelen R4235-22 en R4235-64 van het Frans wetboek van volksgezondheid). Deze bepalingen zijn volgens de handelsrechter ook van toepassing op actoren uit de EU die in Frankrijk actief zijn op het gebied van de onlineverkoop van geneesmiddelen. De niet-naleving van die regelgeving heeft tot concurrentievervalsing geleid. A heeft op 21.09.2017 hoger beroep aangetekend bij de verwijzende rechter.

Prejudiciele vraag:

De prejudiciële vragen zijn gesteld om uit te maken of de Europese regelgeving, met name: artikel 34 VWEU; artikel 85 quater van de Europese richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, zoals gewijzigd; de bepalingen inzake de interne markt van artikel 3 van richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij voor de elektronische handel, een lidstaat van de Unie in staat stelt om op zijn grondgebied aan apothekers die onderdaan zijn van een andere lidstaat van de Unie specifieke regels op te leggen betreffende:
– het verbod klanten te benaderen via methoden en middelen die worden beschouwd als strijdig met de waardigheid van het beroep als bedoeld in het huidige artikel R 4235-22 van het Franse wetboek van volksgezondheid;
– het verbod patiënten aan te sporen tot overmatig gebruik van geneesmiddelen als bedoeld in het huidige artikel R 4235-64 van het Franse wetboek van volksgezondheid, en
– de verplichting de goede praktijken inzake de verstrekking van geneesmiddelen zoals vastgesteld door de overheid van de lidstaat na te leven, door bijkomend te eisen dat in het online bestelproces voor geneesmiddelen een gezondheidsvragenlijst wordt ingevoegd, en het gebruik van betalende vermeldingen te verbieden, als bedoeld in het huidige besluit van 28 november 2016 van de Franse minister van Sociale Zaken en Gezondheid.