DOSSIERS
Alle dossiers
Gepubliceerd op donderdag 9 april 2026
LS&R 2369
Hof van Justitie EU ||
10 dec 2025
Hof van Justitie EU 10 dec 2025, LS&R 2369; C-803/25 (NG tegen Bezirkshauptmannschaft Grieskirchen), https://www.lsenr.nl/artikelen/prejudiciele-vragen-gesteld-over-voedselveiligheid

Prejudiciële vragen gesteld over voedselveiligheid

Prejudiciële vragen gesteld aan Hof van Justitie EU 10 december 2025, LS&R 2369; C-803/25 (NG tegen Bezirkshauptmannschaft Grieskirchen) via MinBuza. Verzoekende partij heeft het voedingssupplement ‘Curcuma 500’ in de handel gebracht. Na controle door de nationale keuringsdienst van waren werd het product beoordeeld als onveilig vanwege het hoge curcumagehalte, en daarmee als ongeschikt voor menselijke consumptie in de zin van artikel 14 van verordening 178/2002. Deze beoordeling was echter niet gegrond in de in artikel 14, lid 5, genoemde redenen (verontreiniging door vreemd materiaal of anderszins, of door verrotting, kwaliteitsverlies of bederf). Ter discussie staat of er afgeweken kan worden van de redenen uit lid 5 om een levensmiddel als ongeschikt voor menselijke consumptie te kunnen aanmerken. 

Prejudiciële vragen: 
1) Moet artikel 14, lid 2, onder b), gelezen in samenhang met artikel 14, lid 5, van verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB 2002, L 31, blz. 1), aldus worden uitgelegd dat levensmiddelen alleen „als ongeschikt voor menselijke consumptie” moeten worden beschouwd wanneer er sprake is van een van de in artikel 14, lid 5, van verordening nr. 178/2002 genoemde redenen (verontreiniging door vreemd materiaal of anderszins, of verrotting, kwaliteitsverlies of bederf)? 

2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: Moet artikel 14, lid 2, onder b), gelezen in samenhang met artikel 14, lid 5, van verordening nr. 178/2002 aldus worden uitgelegd dat ervan moet worden uitgegaan dat een levensmiddel ongeschikt is voor menselijke consumptie wanneer het levensmiddel bij de beoogde dosering als gevolg heeft dat van een (in dit levensmiddel opgenomen) levensmiddelenadditief meer dan het dubbele wordt opgenomen van de waarde die door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) in het kader van de beoordeling van dit levensmiddelenadditief is beschouwd als aanvaardbare dagelijkse inname [Acceptable Daily Intake (ADI)]? 

3) Moet verordening nr. 178/2002 aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale regeling (of de interpretatie ervan) van een lidstaat, die inhoudt dat levensmiddelen ook als ongeschikt voor menselijke consumptie moeten worden beschouwd wanneer de beoogde bruikbaarheid ervan niet gewaarborgd is, zonder dat er sprake moet zijn van de in artikel 14, lid 5, van verordening nr. 178/2002 genoemde redenen waarom een levensmiddel onaanvaardbaar is geworden voor menselijke consumptie?