6 okt 2026,
Staat hoeft geen aanvullende Brexit-compensatieregeling voor pelagische vissers te treffen
Hof Den Haag 6 oktober 2026, LS&R 2483; ECLI:NL:GHDHA:2026:2969 (Van der Zwan c.s. tegen de Staat). Zeventien ondernemingen uit de Nederlandse pelagische visserijsector, waaronder Visserij Mij W. Van der Zwan & Zonen en Cornelis Vrolijk Holding, stellen dat de Staat hen onvoldoende heeft gecompenseerd voor de gevolgen van de Brexit. Door het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie zijn de vangstmogelijkheden voor Nederlandse vissers verminderd. Om de negatieve gevolgen van de Brexit te verzachten, heeft de EU de Brexit Adjustment Reserve (BAR) opgericht. De Staat heeft met deze middelen verschillende steunmaatregelen voor de visserijsector getroffen, waaronder een saneringsregeling, een stilligregeling en een liquiditeitsregeling. Volgens de pelagische vissers had de Staat daarnaast een specifieke regeling moeten treffen om hen in betekenisvolle mate te compenseren voor hun schade. Zij stellen dat de Staat door dit na te laten in strijd heeft gehandeld met de maatschappelijke zorgvuldigheid en vorderen een verklaring voor recht en schadevergoeding. De rechtbank Den Haag heeft hun vorderingen afgewezen, waarna de ondernemingen hoger beroep hebben ingesteld.
Het Gerechtshof Den Haag oordeelt dat de Staat bij de uitvoering van de BAR-verordening over een ruime beleidsvrijheid beschikte. De verordening verplicht lidstaten niet om specifieke steunmaatregelen te treffen of bepaalde groepen vissers afzonderlijk te compenseren. De Staat heeft bovendien voldaan aan de verplichting om een minimumbedrag te besteden aan de ondersteuning van kustgemeenschappen, waaronder de visserijsector. Volgens het hof is niet doorslaggevend of de pelagische vissers zwaarder door de Brexit zijn getroffen dan de kottervisserij, maar of de Staat in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen afzonderlijke compensatieregeling voor de pelagische visserij vast te stellen. Het hof constateert dat de vangstcijfers over 2020 en 2021 een relatief beperkte daling laten zien en dat uit de jaarcijfers van de betrokken ondernemingen en de overgelegde deskundigenrapporten onvoldoende blijkt dat zij daadwerkelijk zwaar door de Brexit zijn getroffen. Ook de omstandigheid dat de Nederlandse aanspraak op BAR-middelen mede is gebaseerd op de vangsten van pelagische vissers in Britse wateren, rechtvaardigt geen afzonderlijke aanspraak op compensatie. Alles afwegende oordeelt het hof dat de Staat in redelijkheid heeft kunnen afzien van een aanvullende compensatieregeling voor de pelagische visserij. Van onrechtmatig handelen is daarom geen sprake. Het hoger beroep slaagt niet en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.
6.14
De rapporten van Aeternus en [deskundige] geven het hof onvoldoende aanleiding om anders te oordelen. Aeternus concludeert dat de schadeberekening van EY voldoet aan de professionele vereisten van een economische schadeberekening. Het rapport bevat een schatting van de schade van Van der Zwan c.s. als gevolg van de Brexit op basis van de berekening van EY en een alternatieve berekening volgens een iets afwijkende methode. Het rapport van Aeternus geeft echter geen concreet inzicht in de omzetten en winsten van Van der Zwan c.s. vóór en na de Brexit. Op basis van het rapport kan daarom niet geconcludeerd worden dat Van der Zwan c.s. zwaar getroffen zijn door de Brexit. Het tweede rapport van Aeternus bevat enkele algemene conclusies ten aanzien van de impact van de Brexit op de pelagische visserij, maar het bevat evenmin een onderbouwing van die conclusies aan de hand van een analyse van de resultaten van Van der Zwan c.s. Zo stelt Aeternus wel dat de Brexit heeft geleid tot 11% minder vangstvolume en 15% minder omzet, maar laat Aeternus niet zien aan de hand van jaarcijfers van Van der Zwan c.s. dat hun omzetten daadwerkelijk met zulke percentages zijn gedaald en wat dat voor effect op hun winsten heeft gehad. Het rapport van [deskundige] is met name gericht op een vergelijking van de kottervisserij en de pelagische visserij en de verschillende gevolgen van de Brexit voor hun vangstmogelijkheden, als gevolg van de structurele onderbenutting van quota door de kottervisserij vóór de Brexit. Ook dit rapport bevat geen concrete analyse van de cijfers van Van der Zwan c.s.
6.15
Van der Zwan c.s. hebben nog gewezen op het feit dat de Nederlandse aanspraak van € 886,3 miljoen mede is bepaald door de vangsten van de pelagische vissers in de EEZ van het VK (factor (i) van de methode voor de toewijzing van BAR-gelden, zie 3.9 van dit arrest). Verder maken zij er een punt van dat de Staat € 657 miljoen van de BAR-gelden aan de schatkist heeft toegevoegd en dat de Staat een bedrag van € 66 miljoen heeft teruggestort aan de EU.
Deze omstandigheden kunnen geen aanspraak op een speciale compensatie voor pelagische vissers rechtvaardigen. In de BAR-verordening is geregeld dat ten minste 50% van het bedrag van de factor gekoppeld aan de vis gevangen in de EEZ van het VK moet worden besteed aan de ondersteuning van lokale en regionale kustgemeenschappen, waaronder de visserijsector (zie 3.10 van dit arrest). Aan die voorwaarde heeft de Staat voldaan. Verder volgt uit de BAR-verordening geen verplichting om BAR-gelden aan de visserijsector toe te kennen, en al helemaal geen verplichting om die gelden ten goede te laten komen aan de pelagische visserij. De Staat heeft van de toegekende BAR-gelden geen € 657 miljoen maar € 364 miljoen een publieke bestemming gegeven (zie 3.20 van dit arrest). Daar heeft de Staat in redelijkheid toe kunnen besluiten. Hetzelfde geldt voor het terugstorten van het bedrag van € 66 miljoen.
6.16
Alles afwegende, in onderlinge samenhang, is het hof van oordeel dat de Staat in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat de pelagische vissers niet zo zwaar getroffen werden door de Brexit dat BAR-gelden moesten worden aangewend om (te proberen) in een speciale regeling voor de compensatie van pelagische vissers te voorzien, naast de regelingen die de Staat voor de visserijsector in het algemeen heeft getroffen. Bij die stand van zaken kan buiten beschouwing blijven of een dergelijke speciale regeling door de Europese Commissie (tijdig) zou zijn goedgekeurd in het licht van de staatssteunregels en welke betekenis in dat verband kan worden toegekend aan de goedkeuring van de Deense compensatieregeling. Dit oordeel betekent dat grief II van Van der Zwan c.s. faalt.