Gepubliceerd op maandag 26 oktober 2026
LS&R 2479
Rechtbank Den Haag ||
8 sep 2026,
Rechtbank Den Haag 8 sep 2026,, LS&R 2479; ECLI:NL:RBDHA:2026:27926 (eiseres tegen de inspecteur van de Belastingdienst), https://www.lsenr.nl/artikelen/terbeschikkingstelling-van-optometristen-aan-zorginstellingen-valt-niet-onder-medische-btw-vrijstelling

Terbeschikkingstelling van optometristen aan zorginstellingen valt niet onder medische btw-vrijstelling

Rb. Den Haag 8 september 2026, LS&R 2479; ECLI:NL:RBDHA:2026:27926 ([eiseres] tegen de inspecteur van de Belastingdienst). Een fiscale eenheid voor de omzetbelasting, bestaande uit zes vennootschappen, heeft optometristen en orthoptisten in dienst die oogheelkundige werkzaamheden verrichten bij ziekenhuizen en oogklinieken. Deze werkzaamheden bestaan onder meer uit oogheelkundig onderzoek, screening, low vision-zorg en verwijzing naar een oogarts. Een van de vennootschappen sluit met de zorginstellingen overeenkomsten over het verlenen van oogheelkundige zorgdiensten. De fiscale eenheid heeft over deze dienstverlening 21% omzetbelasting voldaan, maar stelt dat de medische vrijstelling van artikel 11 lid 1, onderdeel g, ten eerste, onder a, Wet op de omzetbelasting 1968 van toepassing is. Volgens de fiscale eenheid omvat haar dienstverlening meer dan het ter beschikking stellen van personeel, omdat zij onder meer rekening houdt met de competenties en voorkeuren van de optometristen, bij- en nascholing verzorgt en intercollegiaal overleg faciliteert. De inspecteur van de Belastingdienst stelt daartegenover dat sprake is van het ter beschikking stellen van personeel, waarop de medische vrijstelling niet van toepassing is.

De rechtbank oordeelt dat de dienstverlening van de fiscale eenheid aan de zorginstellingen niet meer omvat dan het ter beschikking stellen van optometristen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de betrokken vennootschap bezettingsroosters opstelt, bij ziekte voor passende vervanging zorgt en afspraken maakt over de vergoeding per dag en de werktijden. De aanvullende werkzaamheden, zoals scholing en intercollegiaal overleg, veranderen de kwalificatie van deze dienstverlening niet, omdat zij geen gezondheidskundige verzorging van patiënten vormen. Ook de omstandigheid dat de optometristen zelfstandig paramedische beslissingen nemen, maakt dit niet anders. Ter beoordeling staat immers de dienstverlening van de fiscale eenheid aan de zorginstellingen en niet de medische werkzaamheden die de optometristen bij patiënten verrichten. Het beroep op het beginsel van fiscale neutraliteit slaagt evenmin, omdat volgens de rechtbank geen sprake is van vergelijkbare diensten tussen de terbeschikkingstelling van personeel door de fiscale eenheid en de dienstverlening van zelfstandig ingehuurde optometristen. De medische vrijstelling is daarom niet van toepassing en de fiscale eenheid heeft terecht 21% omzetbelasting afgedragen. Hoewel de rechtbank het beroep ontvankelijk acht, verklaart zij het ongegrond.

Is de medische vrijstelling van toepassing?

15. Op grond van artikel 132, eerste lid, onderdeel c, van de Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde verlenen lidstaten vrijstelling voor medische verzorging in het kader van de uitoefening van medische en paramedische beroepen als omschreven door de betrokken lidstaat. Nederland heeft aan deze bepaling uitvoering gegeven door in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, ten eerste, onder a van de Wet OB (de medische vrijstelling) te bepalen dat van de belasting vrijgesteld zijn de diensten op het vlak van de geneeskundige verzorging van de mens door beoefenaren van een medisch of paramedisch beroep die een op dit beroep gerichte opleiding hebben voltooid waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG), voor zover deze diensten tot het gebied van deskundigheid van dit beroep behoren en onderdeel vormen van bedoelde opleiding.

16. Niet in geschil is dat de optometristen in dienst zijn bij eiseres, BIG-geregistreerd zijn en dat zij op de locatie van de afnemers werkzaamheden verrichten die onder andere bestaan uit algemeen oogheelkundig onderzoek, oogheelkundige screening en verwijzing naar een oogarts. Voor bepaalde afnemers verrichten de optometristen (ook) de zogenoemde low vision zorg. Beoordeeld dient te worden of de dienstverlening van eiseres aan de afnemers aangemerkt kan worden als gezondheidskundige verzorging in de zin van de medische vrijstelling.

17. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de door R overgelegde standaardovereenkomst, welke zij aangaat met de afnemers, en hetgeen door partijen naar voren is gebracht dat eiseres een dienst verricht aan de afnemers, te weten het ter beschikking stellen van personeel (door de optometristen ter beschikking te stellen aan de afnemers). Het is immers R die voor de desbetreffende afnemer een bezettingsrooster maakt van de in te zetten optometristen en voor passende vervanging van een optometrist dient te zorgen in geval van ziekte. Uit de standaardovereenkomst volgt verder dat er afspraken gemaakt zijn over de vergoeding per dag, de werktijden waarop de optometristen hun werkzaamheden verrichten en dat de optometristen zich moeten houden aan de huisregels van de afnemer.

18. Eiseres heeft naar voren gebracht dat haar dienstverlening meer inhoudt dan enkel het ter beschikking stellen van de optometristen aan de afnemers. Zo houdt zij bij het opmaken van een bezettingsrooster rekening met de competenties en voorkeuren van de desbetreffende optometrist, verzorgt zij bij- en nascholingscursussen en faciliteert zij intercollegiaal overleg via een app. Genoemde extra werkzaamheden die eiseres verricht dan wel verzorgt, maken echter niet dat zij daardoor diensten verricht die onder de medische vrijstelling vallen. Deze dienstverlening betreft immers niet de gezondheidskundige verzorging van de patiënt. Eiseres heeft ook benadrukt dat de optometristen zelfstandig paramedische beslissingen nemen. Dit maakt het oordeel van de rechtbank, zoals vermeld onder 17, evenmin anders aangezien de dienstverlening van eiseres richting de afnemers ter beoordeling voorligt en niet de werkwijze van de optometristen. De parallel die eiseres wenst te trekken met het arrest van het Hof van Justitie van 20 december 20174 gaat niet op. Anders dan eiseres stelt is die parallel niet te trekken, omdat de feiten, omstandigheden en de juridische problematiek niet vergelijkbaar zijn met onderhavige zaak. Het door eiseres ingenomen standpunt dat sprake is van concurrentievervalsing en strijd met de fiscale neutraliteit doordat zelfstandige optometristen die aan de slag gaan bij een ziekenhuis of oogkliniek wel de medische vrijstelling kunnen toepassen en eiseres 21% omzetbelasting over haar diensten moet berekenen, volgt de rechtbank evenmin. Er is geen sprake van vergelijkbare diensten. Eiseres stelt immers personeel ter beschikking aan de afnemers, terwijl zelfstandige optometristen zich direct laten inhuren door een zorginstelling.

19. Gelet op wat is overwogen onder 17 en 18 verricht eiseres zélf geen dienst die meer omvat dan het ter beschikking stellen van de optometristen aan de afnemers. De rechtbank is van oordeel dat deze dienstverlening van eiseres niet onder de medische vrijstelling valt. Eiseres heeft terecht 21% omzetbelasting afgedragen over de door R verrichtte diensten. Het beroep is ongegrond.