LS&R 1710

Verbod Staat om medicinale hennepplanten in beslag te nemen

Hof Den Haag 24 mei 2019, LS&R 1710; ECLI:NL:GHDHA:2019:1259 (Staat der Nederlanden tegen X) Verbodvordering tegen de Staat om voor zelfmedicatie bedoelde hennepplanten in beslag te nemen. Geïntimeerde X heeft Asperger, een vorm van autisme. De advocaat van X heeft het OM per brief toestemming gevraagd tot het kweken van 51 cannabisplanten voor medicinaal gebruik. De toestemming is geweigerd. De voorzieningenrechter heeft in eerdere uitspraak overwogen dat het OM in redelijkheid niet tot de afwijzing kon komen, onder meer omdat er nooit klachten waren van buren, X de planten al jaren kweekt; de kweekinstallatie is gekeurd en de levensbedreigende depressie die zonder hennepgebruik op de loer ligt. Het hof bekrachtigt de uitspraak.

3.6 [geïntimeerde] heeft tevens toegelicht (o.m. punten 7- 10 ID) dat:

-    hij de bestaande legale varianten van medicinale cannabis van Bedrocan heeft geprobeerd, maar dat deze bij hem niet werkten (hij kreeg er zware hoofdpijn van);

-    coffeeshops geen continue aanvoer hebben van bij hem wel werkende medicinale cannabis en de ‘coffeeshop’-cannabis voor hem bovendien te duur is (€ 1.000,- per maand, terwijl hij een maandelijkse uitkering van € 1.100,- ontvangt);

-    hij proefondervindelijk heeft vastgesteld dat de door hem gekweekte, niet bij Bedrocan verkrijgbare soorten de voor hem best werkende samenstelling hebben, en ook beter voor hem werken dan ‘coffeeshop’-cannabis.

De Staat heeft de juistheid van deze stellingen niet (duidelijk) betwist, ook niet bij gebrek aan wetenschap. Hij heeft alleen maar aangevoerd dat [geïntimeerde] die stellingen niet aannemelijk heeft gemaakt (PE onder 3.12 en 3.13; PA onder 2.2. en 3.6), daarmee miskennend dat niet of niet voldoende betwiste feiten door de rechter, ook in kort geding, tot uitgangspunt moeten worden genomen (artikel 149 lid 1, 2e volzin, Rv). Bij deze stand van zaken moeten de zo-even weergegeven stellingen van [geïntimeerde] voorshands voor juist worden gehouden. Indien in het betoog van de Staat wel een (voldoende) betwisting van die stellingen van [geïntimeerde] zou moeten worden gelezen, dan geldt dat die stellingen ten minste een zekere mate van aannemelijkheid hebben, gezien onder meer de in rov. 3.5 geciteerde verklaring van [geïntimeerde]’s huisarts, waarin deze aangeeft dat ‘de ontruiming’ (van [geïntimeerde]’s planten) tot psychische gevolgen voor hem leidt, en waarin dus ligt besloten dat andere cannabis dan de ‘te ontruimen’ cannabis niet voldoende soelaas voor [geïntimeerde] biedt. De partner van [geïntimeerde] heeft op de zitting bij het hof bevestigd dat [geïntimeerde] baat heeft bij het gebruik van de zelfgekweekte hennep, in tegenstelling tot de eerder voorgeschreven medicijnen waarop hij slecht reageerde.

3.14 Het onder 3.9 t/m 3.13 overwogene overziend is er reden om de door de Staat genoemde gevaren voor de omgevingsveiligheid in sterke mate te relativeren. Aangezien [geïntimeerde] het hennep-bezit erkent – hij heeft er zelf aangifte van gedaan – hoeven voor het strafrechtelijk bewijs de planten, die ook door de politie zijn waargenomen, niet in beslag te worden genomen. Beslag is ook niet nodig om mogelijke escalatie te voorkomen. Er is geen enkele aanwijzing dat [geïntimeerde] de hennep voor iets anders dan voor zelfmedicatie gebruikt of zal gaan gebruiken en bij de zoeking op 26 maart 2019 zijn in de slaapkamer drie tenten met daarin in totaal (12 + 5 =) 17 hennepplanten aangetroffen, dus minder dan het door de voorzieningenrechter opgelegde maximum van 22.

3.15 Het door de Staat in zijn PA benadrukte belang van de inbeslagname met het oog op onttrekking aan het verkeer behoeft eveneens relativering, in het licht van enerzijds de vaststelling onder 3.7, dat geenszins ondenkbaar is dat de strafrechter noodtoestand zal aannemen, in welk geval geen strafbaar feit is begaan en onttrekking aan het verkeer dus niet mogelijk is (artikel 36b lid 1, 1º en 3º Sr), en anderzijds het gegeven dat bij verwerping van het beroep op noodtoestand alsnog onttrekking aan het verkeer kan worden gevorderd, namelijk na de einduitspraak (vgl. NJ 2010, 146), zodat hetgeen met die maatregel wordt beoogd ook zonder aan de strafzitting voorafgaande inbeslagname bereikbaar blijft. Hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat blijkens het onder 3.14 in fine overwogene, escalatie niet te duchten is, en dat, gezien ook hetgeen voorts onder 3.14 is overwogen, het algemeen belang dus niet vergt dat nu al tot inbeslagname wordt overgegaan.

3.17 Grief 2 van de Staat gaat niet op. Zijn grief 1, die is gericht tegen de overwegingen van de voorzieningenrechter dat, kort gezegd, de afwijzing van [geïntimeerde]’s verzoek om toestemming in de brief van het OM van 22 augustus 2018 onvoldoende is gemotiveerd, kan onbesproken blijven nu gegrondbevinding daarvan niet zou kunnen afdoen aan het onder 3.16 gegeven oordeel.

3.18 De slotsom luidt dat de bestreden uitspraak zal worden bekrachtigd, met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding in hoger beroep.