LS&R 1664

Vervangende toestemming rijksvaccinatieprogramma verleend: risico bijwerkingen vaccinaties kind niet hoger

Rechtbank Amsterdam 8 augustus 2018, LS&R 1664; ECLI:NL:RBAMS:2018:5696 (Rijksvaccinatie minderjarige) Partijen hebben een affectieve relatie gehad, waaruit in 2017 een kind is geboren. De vrouw heeft besloten het kind niet deel te laten nemen aan het vaccinatieprogamma. Zij stelt onder meer dat het meer in het belang van haar kind is om borstvoeding te ontvangen en dat inenten risico's voor de gezondheid meebrengt. Dat het vaccinatieprogramma als overheidsbeleid geldt, betekent nog niet dat dit het beste voor het kind zou zijn. De man vraagt om hem vervangende toestemming te verlenen het kind te laten deelnemen aan het rijksvaccinatieprogramma. Het vaccinatieprogramma heeft als doel (jonge) kinderen te beschermen tegen schadelijke ziekten, waardoor het programma in het belang is van het kind. Het argument van de vrouw dat zij door het geven van moedermelk het kind ook voldoende kan beschermen, speelt geen rol, omdat de vrouw daar mee is gestopt. Wat betreft de schadelijkheid van de vaccins is bekend dat er bijwerkingen kunnen ontstaan, maar is er niet gesteld dat het kind meer risico loopt dan een ander kind. De rechtbank verleent de man vervangende toestemming.

10.2 Met betrekking tot het verzoek van de man tot vervangende toestemming wordt als volgt overwogen. Het rijksvaccinatieprogramma heeft als doel (jonge) kinderen te beschermen tegen schadelijke ziekten. Gelet hierop is dit programma in het belang van het kind. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gevoerde overheidsbeleid door medici breed wordt gedragen en dat het overgrote deel van de bevolking dit overheidsbeleid steunt en kinderen daaraan laat deelnemen. Daaraan doet niet af dat er ook deskundigen zijn die daar kritisch tegenover staan.
Het laten vaccineren van [naam kind] volgens het rijksvaccinatieprogramma is het meest in haar belang. Het argument van de vrouw dat zij door het geven van moedermelk [naam kind] ook voldoende kan beschermen speelt, wat de juistheid daarvan ook is, thans geen rol meer, omdat de vrouw daarmee is gestopt. De vrouw heeft verder nog aangevoerd dat [naam kind] schade op kan lopen door de vaccinaties, de combinaties van de vaccinaties en de hulpmiddelen daarin. Het is bekend dat er bijwerkingen kunnen ontstaan, maar er is niet gesteld of gebleken dat [naam kind] meer risico loopt dan een ander kind.
De vrouw heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die tot het oordeel kunnen leiden dat sprake is van schending van de door haar vermelde artikelen van de Grondwet, IVRK en EVRM. Voor een nader onderzoek door de Raad is geen plaats, omdat de Raad een dergelijk onderzoek niet kan doen. De rechtbank wijst het verzoek van de man toe maar niet de eveneens verzochte uitvoerbaar verklaring bij voorraad gezien het onomkeerbare karakter van de beslissing. Voorts gaat de rechtbank ervan uit dat de man in overleg met het consultatiebureau en/of kinderarts zal treden over het opstellen van een eventueel aangepast vaccinatieschema, aangezien [naam kind] nu niet meer gelijk loopt met het oorspronkelijke plan.